Archeologische fietstocht Sint-Laureins: Verdronken dorpen in het Meetjeslandse krekengebied

Deze fietsroute van 30 km start en eindigt in de dorpskern van Sint-Margriete in het Meetjesland. Het Meetjeslands krekengebied is vandaag een oord van rust en stilte, waar alleen kabbelende waterpartijen een landschap zo vlak als een biljarttafel doorsnijden. Weinig doet vermoeden dat deze waters (“kreken”) de restanten zijn van verwoestende getijdengeulen, zeearmen die honderden jaren geleden alles wat op hun weg lag meesleurden. Wat je evenmin met het blote oog ziet, is dat er onder de kleilaag een ander landschap schuilgaat: in de middeleeuwen werden hier huizen, boerderijen en dorpen gebouwd, waarvan er heel wat in de golven zijn verdwenen.

De route is gebaseerd op het netwerk van fietsknooppunten in Vlaanderen. Per stop lees je hieronder een beschrijving van wat je kan ontdekken. Omdat niet alle archeologische bezienswaardigheden langs knooppunten liggen, zal je af en toe moeten afwijken van die knooppuntenroute. Download de folder met de route en een overzichtskaartje en ga op ontdekking.

In samenwerking met IOED Meetjesland en Vlaanderen Fietsland.

Afbeelding: Watervliet, Het Stee met de Onze-Lieve-Vrouw-Hemelvaartkerk. Copyright: Michiel Hendryckx (licentie)

Dorpskern Sint-Margriete

De actuele parochiekerk van Sint-Margriete, gewijd aan de Heilige Margareta, werd gebouwd in 1881. De dorpskern is echter al heel wat ouder.

De eerste kerk werd gebouwd in de 13de eeuw en stond een kleine kilometer verder naar het noorden, in het Nederlandse gehucht Eiland. De grote overstromingen van 1375 vernielden deze kerk en het omliggende dorpje. De bewoners bleven niet bij de pakken zitten en bouwden kort nadien een nieuwe kerk. In 1404 werd deze kerk op haar beurt vernield door een stormvloed. In 1470 werd een derde poging gedaan, maar deze kerk ging 100 jaar later ten onder nadat de Staatse troepen de dijken doorstaken om hun stellingen te beschermen.

Na de vrede tussen Spanje en de Noordelijke Nederlanden in 1648 was de tijd rijp voor de volgende poging. Het was de Gentse Sint-Baafsabdij die deze keer het initiatief nam. Door de jarenlange overstromingen tijdens de Tachtigjarige Oorlog hadden zich intussen zware getijdengeulen gevormd, die we vandaag kennen als de Boerenkreek, de Blokkreek… Dit gebouw bevond zich in de Zuidelijke Nederlanden, honderd meter ten zuidoosten van de huidige kerk. Vandaag vind je er enkel nog het kerkhof. Dit kerkgebouw met vierkante westtoren werd in 1883 wegens bouwvalligheid gesloopt, met uitzondering van het koor. Het oude koor bleef tot 1971 als calvarieberg op het kerkhof bewaard.

Aan het kerkplein zie je ook een wat vreemde en verweerde paal. Op de volgende halte leer je hier meer over!

Afbeelding: Het kerkhof van Sint-Margriete bevindt zich op de plek waar de 17de-eeuwse kerk stond. Copyright Onroerend Erfgoed

Het verdwenen stadje Nieuw-Roeselare

In 1241 geeft gravin Johanna van Constantinopel een stuk grond van ongeveer 200 hectare groot in leen aan Goswijn van Roeselare, een vermogend Gentenaar. Hij krijgt de rechten om de grond te ontginnen en er een nederzetting te stichten. Zo gezegd, zo gedaan: al in 1243 wordt de kerk van Novum Rollarium of Nieuw-Roeselare vermeld, gebouwd aan het kruispunt van twee belangrijke handelswegen.

Er is niet zoveel gekend van Nieuw-Roeselare of zijn bewoners. In 1309 wordt de parochie vermeld als één van de “Smalle Steden” in het Brugse Vrije, wat erop wijst dat ze over bepaalde stadsrechten beschikt. Naast de kerk bevond zich het hof van Goswijn en zijn nazaten. Maar helaas, ook Nieuw-Roeselare gaat ten onder aan de stormvloeden vanaf het einde van de 14de eeuw. Het stadje verdwijnt voorgoed uit het landschap, nauwelijks 150 jaar na de stichting.

Meer weten?

Archeologische opgravingen in de jaren ’60 en ’70 van de vorige eeuw legden een deeltje vrij van de kerk en het Hof van Roeselare. Er werden bakstenen gebouwen aangetroffen en artefacten die getuigden van een erg grote welstand.

Nadien was het jarenlang stil rond de site en bleef ze verborgen onder de grond. Pas de laatste jaren was er hernieuwde archeologische aandacht voor het verdwenen stadje. Onderzoekers van de Gentse Universiteit onderzochten de site met behulp van zogenaamde niet-invasieve onderzoeksmethoden, zoals geofysisch onderzoek, veldkartering en boringen. Ze slaagden erin om nagenoeg het volledige areaal van Nieuw-Roeselare in kaart te brengen en konden aantonen dat het stadje gebouwd was volgens een systematisch en strak geometrisch plan.

Afbeelding: De resultaten van een bodemscan van Nieuw-Roeselare, geprojecteerd op een luchtfoto. Je ziet duidelijk de locatie van de kerk en het Hof van Roeselare.

Bron: “Figure 4: Filtered ECa-HCP4 data-plot and interpretation of the archaeological features related to Nieuw-Roeselare, with enlargements of representative features: dike-related ditches, double-ditched street, enclosure and former wells”, in: Verbrugghe, G., Saey, T., De Clercq, W. (2020) Lost but revived. Revisiting the medieval village of Nieuw-Roeselare (Flanders) using large-scale frequency-domain multi-receiver EMI and landscape archaeological prospection. Archaeological Prospection 27 (3), 245.

De tiendenpaal aan de Molenkreek

In de middeleeuwen bestonden grote delen van de regio nog uit onontgonnen gebied, zoals moerassen, bossen en heide. Van enige dreiging van de zee was op dat moment nog geen sprake. In de 12de en 13de eeuw werden grote delen systematisch in cultuur gebracht. Niet alleen abdijen en adellijke heren, maar ook vermogende burgers stichtten er nederzettingen, bouwden wegen en kanaaltjes, legden moerassen droog en zetten bos om in landbouwgrond.

Vanaf het einde van de 14de eeuw werden grote delen van de regio geteisterd door stormvloeden en overstromingen vanuit de Westerschelde. Omdat heel wat van de oorspronkelijke grenzen hierdoor weggevaagd waren, besloot de Sint-Baafsabdij van Gent in 1482 om een aantal (goed gefundeerde) stenen palen te plaatsen. Deze palen markeerden onbetwistbaar haar eigendommen en maakten duidelijk aan wie de “tienden” of belastingen betaald moesten worden. Een tweede grote golf overstromingen door de Tachtigjarige Oorlog zorgde ervoor dat deze oefening in het midden van de 17de eeuw herhaald moest worden.

De tiendenpaal die je hier ziet dateert uit 1654 en staat nog op zijn originele plaats. Op één zijde kan je de letters “SB” lezen (Sintt-Baafsabdij). Op de andere zijde stond “DOR/NICK” geschreven, verwijzend naar het kapittel van Doornik. Er zijn nog twee andere tiendenpalen bewaard: één in de Sint-Margrietestraat en één aan de kerk van Sint-Margriete. Deze laatste werd in de jaren ’60 verplaatst vanuit de Roeselarepolder.

Meer weten?

De Molenkreek is het restant van een getijdengeul die zich vormde in de Tachtigjarige Oorlog. In 1583 besloten de Calvinistische Staatse legers om de dijken door te steken en de zuidelijke oever van de Westerschelde onder water te zetten, als deel van hun militaire strategie. De getijdengeulen bleven in verbinding met de zee tot het einde van de oorlog in 1648. Het krekengebied is eigenlijk een soort relict van een volledig verdronken niemandsland, een beetje te vergelijken met de IJzervlakte uit de Eerste Wereldoorlog.

Gedurende de lange oorlog konden de geulen zich uitschuren tot indrukwekkende waterpartijen die elk hoogtij gevuld werden met zeewater. Ook werd het hele landschap bedekt met een kleilaagje. Dat zorgde ervoor dat het landschap vandaag volledig vlak is. Het kleilaagje bedekt bovendien alle sporen van vroegere bewoning, waardoor het vaak moeilijk is om deze terug te vinden. Daar staat dan weer tegenover dat de archeologische sporen die gevonden worden dikwijls zeer goed bewaard zijn, net omdat ze honderden jaren bedekt en verborgen zijn.

Afbeelding: Deze tiendenpaal uit de 17de eeuw markeert de grenzen tussen de eigendommen van de Sint-Baafsabdij en het kapittel van Doornik. Het is één van de drie resterende palen in de regio. Copyright Onroerend Erfgoed

Met de Vos Reynaert naar Elmare

Rond 1144 trekt een groep monniken een nieuw klooster op aan de rand van een beekje: de mythische priorij van Elmare. Het geheel bestaat uit een kerk, een woonhuis, een gastenverblijf, een voorraadschuur en een molen. De kleine gemeenschap van Benedictijner monniken wordt geleid door een prior en richt zich in de eerste plaats op de zielenzorg van de bewoners van de streek. Hieronder ook de inwoners van Sint-Nicolaas-in-Vaerent, een dorpje dat verrijst op wandelafstand van de priorij.

In de loop van de 13de eeuw vormt de moederabdij (de Sint-Pietersabdij uit Gent) de priorij om tot proosdij: een centrum dat hoofdzakelijk instaat voor het innen van de belastingen in de regio. Het klooster verandert in een kloosterhoeve, beheerd door een proost. 

Vanaf 1375 wordt de streek geteisterd door zware stormvloeden vanuit zee. Samen met Sint-Nicolaas-in-Vaerent wordt Elmare volledig van de kaart geveegd. Het verdwijnt onder een kleilaag. Pas in de jaren ’70 van de vorige eeuw slagen onderzoekers erin om de exacte locatie van de priorij terug te vinden en wordt een kleine opgraving uitgevoerd. De precieze locatie van Sint-Nicolaas-in-Vaerent is tot vandaag ongekend, mogelijk ligt dit onder het hedendaagse Waterland-Oudeman.

Afbeelding: Onder de dorpskern van Waterland-Oudeman gaat wellicht het middeleeuwse Sint-Nicolaas-in-Vaerent schuil, wat verderop ligt de priorij van Elmare verborgen onder de klei. Copyright Onroerend Erfgoed

Maar wat hebben de mythische priorij van Elmare en de Vos Reynaert met elkaar te maken?

Elmare speelt een opvallende rol in de bekende satire “Van de Vos Reynaert”, en wordt meermaals expliciet vermeld. Reynaert begeeft zich met zijn neef, Isengrin de wolf, op bedevaart naar het klooster van Elmare. De sluwe vos slaagt erin om Isengrin met zijn voeten aan het klokkentouw vast te binden en hem steeds maar weer en buitensporig luid de klokken te laten luiden. De bewuste scène zit vol met seksuele toespelingen en steekt de draak met de kuisheid in kloosters. Elmare is hierbij meer dan een decor, maar staat symbool voor de wantoestanden en de decadentie in de kloosters en kerken in het begin van de 13de eeuw.

Het valt op dat de schrijver van de fabel, “Willem die Madoc maecte”, expliciet de naam van Elmare meermaals gebruikt. Hoewel (of net doordat) het klooster volledig van de kaart was verdwenen, nam Elmare in de loop van de geschiedenis mythische proporties aan.

Vandaag vind je overal in de gemeente Sint-Laureins kleine hedendaagse sculpturen die verwijzen naar de passage van Reynaert in de streek.

Afbeelding: Verspreid in de gemeente Sint-Laureins vind je sculpturen die taferelen uitbeelden uit “Van de Vos Reynaert”, zoals ook hier in de Oudemanskreek (Als de vos de passie preekt – boer, let op uw ganzen). En dat heeft dan weer alles te maken met Elmare. Copyright Onroerend Erfgoed

Watervliet, het nieuwe Brugge

De kerk en het dorp van Watervliet worden voor het eerst vermeld in de 13de eeuw, als leen van de belangrijke Brugse familie Praet. Het ontstaan van het dorp is gelijklopend met de meeste andere dorpen in de regio. Vanaf de 12de eeuw verkochten, schonken of leenden de graven van Vlaanderen grote stukken onontgonnen grond aan vermogende burgers en instellingen, met het doel om deze in cultuur te brengen. Vermoedelijk was er voor deze periode nauwelijks structurele bewoning in dit gebied: er zijn geen oudere archeologische vondsten gekend.

Vanaf het einde van de 14de eeuw wordt Watervliet samen met de hele regio overspoeld door de zee, als gevolg van een grote dijkdoorbraak aan de Schelde. De streek verandert voor tientallen jaren in een groot en onbewoonbaar schorrengebied. Vanaf het midden van de 15de eeuw ontstaat er echter een gunstig politiek en economisch klimaat voor inpolderingen, met de steun van de Bourgondische vorsten. En dan verschijnt in Watervliet één van de meest intrigerende personen uit de geschiedenis ten tonele: Jeronymus Laureyn.

Laureyn is een ondernemer pur sang, opgegroeid in de schaduw van het Brugse hertogelijk hof. In 1497 start hij met de eerste inpolderingen in de omgeving van Watervliet, maar zijn ambitie reikt ver. Hij begrijpt dat de haven van Brugge aan het verzanden is, en wil zowaar een nieuw Brugge bouwen. In zijn nieuwe polders bouwt hij vervolgens een nieuwe stad, Watervliet. Met een imposante kerk, een kasteel, wallen en poorten en een haven. De stadswallen en de haven komen er echter nooit. Al in 1506 dringt het door dat ook Watervliet dreigt te verzanden en de investeringen worden teruggedraaid. Laureyn went de blik verder en bouwt een nieuwe stad met haven in Philippine, genoemd naar Filips de Schone. Dat hierdoor de vissershaven van Boekhoute van de zee wordt afgesneden is een bijkomstigheid. Bij zijn dood in 1509 staat de teller op maar liefst 3.000 hectare nieuwe polders.

Afbeelding: De kerk van Watervliet werd gebouwd rond 1500 en is opgetrokken in Brabantse gotiek. Jeronymus Laureyn wilde op die manier zijn band met het hertogelijk hof in Mechelen benadrukken. Copyright Onroerend Erfgoed

Meer weten?

De kerk van Watervliet is qua architectuur een vreemde eend in het poldergebied. Ze is gebouwd in Brabantse gotiek en zou niet opvallen in Mechelen of Brussel, het Bourgondische centrum op het einde van de 15de eeuw. Met deze bouwstijl geeft Laureyn duidelijk aan waar zijn inspiratie en voorbeeld ligt. In de kerk vind je niet alleen een afgietsel van zijn monumentaal praalgraf, verder zijn er ook een aantal topstukken te bewonderen van de Vlaamse schilderkunst. Ook dit is in de geest van Laureyn. Zo is er in de National Library van Londen een liederenbundel bewaard die tot de persoonlijke verzameling van Laureyn behoorde. Eén van de liederen (in oud-nederlands) is mogelijk zelfs van zijn hand. 

Naast de kerk bevindt zich een dreef die leidt naar een groot en omgracht perceel. Hier bevond zich het kasteel van Jeronymus Laureyn. Vandaag zijn enkel de monumentale stallen bewaard en herbestemd als gezinswoning. Dit kasteel is nooit opgegraven of onderzocht, maar bevindt zich nog in de bodem.

Laureyn noemde zijn stad naar het verdwenen middeleeuwse dorp Watervliet, wellicht om als nieuwkomer aan te sluiten bij de traditie. Het is niet met zekerheid geweten waar dat middeleeuwse Watervliet zich bevond, maar de recente vondst van een grafsteen doet vermoeden dat dit gewoon onder het huidige Watervliet ligt, op het Stee (dorpscentrum).

Afbeelding: De kerk van Watervliet herbergt naast enkele prachtige schilderijen ook een gipsen kopie van de graftombe van Jeronymus Laureyn en zijn echtgenote. Het origineel werd in de 18de eeuw vernield. Copyright Onroerend Erfgoed

De Gravejansdijk

In 1375 brak een dijk door langs de Westerschelde en een enorm oppervlakte van relatief jong ontgonnen gronden werd overspoeld door de zee. Dorpen, boerderijen en landbouwgronden overstroomden en werden vaak onherstelbaar beschadigd. Uit historische bronnen is geweten dat aanvankelijk paniek uitbrak en dat vele gezinnen met hebben en houden zuidwaarts trokken, naar de drogere gronden in Kaprijke of Sint-Laureins. In de jaren na 1375 zijn er regelmatige pogingen om grond terug te winnen en gebouwen te herstellen, maar de dreiging van de zee blijft.

In 1404 zijn de overstromingen zo bedreigend dat men van hogerhand ingrijpt. Onder impuls van de graven van Vlaanderen wordt een grote en zware dijk gebouwd die de overstromingen moet tegenhouden: de Gravejansdijk, genoemd naar hertog Jan Zonder Vrees.

Er zijn slechts een aantal relicten van de 15de-eeuwse Gravejansdijk bewaard. Wat opvalt aan deze dijk is dat hij op vele plaatsen op een natuurlijke zandrug ligt, vaak de hoogste plaats in het landschap. Uit bodemstalen is geweten dat op vele plaatsen de zee nooit tot de voet van de dijk heeft gereikt. De Gravejansdijk is dan ook eerder een fysieke begrenzing tussen het oude cultuurland in het zuiden en het overstroomde land in het noorden, die de basis vormde voor de inpolderingen in de 15de en 16de eeuw.

Afbeelding: Bentille bevindt zich centraal op de Graaf Jansdijk, al is het moeilijk om daar vandaag nog veel van te zien. Copyright Onroerend Erfgoed

Meer weten?

De meeste “kreken” die je vandaag ziet zijn het restant van de overstromingen in de Tachtigjarige Oorlog (vanaf 1583): grote getijdengeulen die het gevolg zijn van het doelbewuste doorsteken van de dijken.

Van de overstromingen die de regio teisterden tussen het einde van de 14de eeuw en het begin van de 15de eeuw zijn bijna geen sporen bewaard. Enkel in het oosten van de gemeente Sint-Laureins, op de grens met Boekhoute en Bassevelde, zijn nog een aantal kleine geultjes bewaard uit die periode. Alle andere sporen van die oude overstromingen zijn verdwenen door de latere inpolderingen of afgedekt door een laagje klei in de Tachtigjarige Oorlog.

Afbeelding: Wie in de omgeving goed speurt, vindt her en der nog bewaarde relicten van de Graaf Jansdijk – de oudste dijk van het krekengebied! Copyright Onroerend Erfgoed