De Romeinse begrafenisondernemer: een opportunist.

Een Romeinse begrafenis, daar kwam vuur aan te pas.

De betreurde overledene werd op een brandstapel gecremeerd, al dan niet geflankeerd door enkele grafgiften. Delen van de brandstapel, het skelet en de grafgiften werden achteraf in een kuil gedeponeerd. Vandaag zijn sporen van dergelijke Romeinse crematiegraven een vaak voorkomende vondst bij archeologische opgravingen. Het verbrand bot en de grafgiften bleven relatief goed bewaard in de bodem, en worden dan ook uitgebreid bestudeerd. Het grootste gedeelte van de opvulling van een dergelijk graf, namelijk houtskool, ontsnapt echter meestal aan de aandacht van de onderzoekers. En dat komt niet omdat het slecht zou bewaard zijn, of er bij studie niets mee aan te vangen is.

Van zelfs de kleinste stukjes houtskool uit crematiegraven kan de soort bepaald worden waardoor we een beeld krijgen van de bomen en struiken die in de omgeving van de begraafplaats groeiden. Bovendien ontstaat zo meer inzicht in de eventuele selectie van bepaalde soorten in functie van het crematieritueel. Er wordt al eens geopperd dat bepaalde bomen en struiken een rituele betekenis hadden in de crematieceremonie, en dus een voorkeursbehandeling kregen. Voor Vlaanderen was deze stelling echter nooit getoetst, gewoon omdat er nog zo weinig houtskoolonderzoek gebeurd is. Koen Deforce en Kristof Haneca hebben nu voor het eerst een grootschalig onderzoek gedaan naar het houtgebruik in het Romeinse crematieritueel. De resultaten van dit onderzoek zijn gepubliceerd in het laatste nummer van het wetenschappelijke tijdschrift Journal of Archaeological Science.

In het kader van dit onderzoek zijn een groot aantal houtskoolfragmenten bekeken, uit een honderdtal crematiegraven afkomstig uit 12 vindplaatsen verspreid over Vlaanderen. Op basis van deze uitgebreide dataset (in totaal werd van ca. 12.000 stukjes houtskool de soort bepaald) is dan onderzocht of er verschillen in de soortensamenstelling optreden naargelang het type van crematiegraf, de status van de nederzetting waar het crematieritueel plaatsvond, of de bodemkundige regio. waarin de vindplaats ligt.

Ook is de soortensamenstelling van de crematiegraven per archeologische site vergeleken met de samenstelling van het houtskool uit gewone afvalkuilen, materiaal dat het houtgebruik  voor huishoudelijke doeleinden zoals, koken en verwarmen, weerspiegelt.

De resultaten van het onderzoek tonen aan dat de selectie van hout voor het Romeinse crematieritueel voornamelijk gebaseerd was op wat aan soorten courant beschikbaar was in de omgeving en op hun kwaliteit als brandhout. Zo komen we voornamelijk terecht bij algemene soorten als eik, beuk en els. Selectie in functie van een symbolische betekenis van bepaalde planten kon niet worden aangetoond. De begrafenisondernemer koos dus het beste brandhout dat in de omringende bossen te vinden was. Minimale moeite voor maximaal rendement: dat was in de Romeinse tijd ook al zo.

 Lees meer: Ashes to ashes. Fuelwood selection in Roman cremation rituals in northern Gaul