De Vlaamse begijnhoven vieren hun twintigste verjaardag als werelderfgoed

Bouwkundig erfgoed

Om die verjaardag te vieren start vandaag in Turnhout een driedaags congres over het 'Verleden, heden en toekomst van de begijnhoven'. De dertien Vlaamse begijnhoven waren, samen met de Grote Markt in Brussel en vier scheepsliften op het Canal du Centre bij La Louvière de eerste drie Belgische werelderfgoederen.

Deze blog kwam er na een gesprek met Suzanne Van Aerschot over de erkenning van de begijnhoven als Werelderfgoed. Suzanne was voor de Vlaamse overheid ‘coördinator werelderfgoed’ tussen 1996 en 2008. Ze stond dus aan de wieg van de werelderfgoederkenningen van de begijnhoven, belforten, de historische binnenstad van Brugge, en het woonhuis/atelier/museum Plantin-Moretus in Antwerpen.

België en de Werelderfgoedconventie: een trage start

België was vrij laat met het voordragen van werelderfgoederen. De Werelderfgoedconventie werd in 1972 goedgekeurd, en de eerste werelderfgoederen waren in 1978 een feit.

Dat de eerste Belgische werelderfgoederen er pas twintig jaar later kwamen heeft waarschijnlijk verschillende redenen. Suzanne verwijst in de eerste plaats naar de specifieke context voor onroerend erfgoed in de woelige jaren 1970 en 1980. Onder meer het Europese monumentenjaar in 1975 had het thema op de voorgrond geplaatst. Maar de toegenomen belangstelling voor erfgoed vertaalde zich niet in aandacht voor die ‘nieuwe’ Werelderfgoedconventie. De voortschrijdende regionalisering van het beleidsveld Onroerend Erfgoed zorgde er ook voor dat er andere prioriteiten waren.

Pas in de vroege jaren 1990, na de volledige overdracht van de bevoegdheid aan het Vlaamse, Waalse en Brusselse Gewest, kwam het thema op de agenda. Na goede afspraken tussen de drie gewesten konden alle betrokken regeringen en parlementen de Conventie goedkeuren. Op 24 juni 1996 ratificeerde het koninkrijk België dan, als lidstaat van de Unesco, de Werelderfgoedconventie. Vanaf dat moment maakten Vlaanderen en de twee andere gewesten werk van de uitvoering van de Conventie en stelden ze ook monumenten en sites voor voor inschrijving op de Werelderfgoedlijst.

Suzanne herinnert zich dat de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen (KCML) zich in de eerste helft van de jaren 1990 had gebogen over welke mogelijke werelderfgoederen Vlaanderen aan het Werelderfgoedcomité van Unesco zou voorstellen. Die denkoefening leverde een lijst met de eerder klassieke Vlaamse ‘topmonumenten’ op.

Maar het Werelderfgoedcomité stelde in 1994 een verontrustende scheeftrekking vast in de Werelderfgoedlijst: er was een overwicht van klassieke erfgoedsites en monumenten in vooral westerse landen. Minder traditionele thema’s, natuurlijke erfgoedsites en erfgoederen in niet-westerse landen vonden veel moeilijker een weg naar werelderfgoederkenning. In reactie daarop nam het Werelderfgoedcomité in 1994 de Global strategy for a representative, balanced and credible World Heritage List aan.

Bij de drie gewesten viel deze boodschap niet in dovemansoren. Na onderling overleg beslisten ze in 1996 om niet de KCML te volgen, maar een minder klassieke of traditionele invalshoek te kiezen voor de eerste werelderfgoednominaties. Dat blijkt ook uit de drie voorstellen die België in 1997 indiende, met het oog op inschrijving in 1998. Van de Grote Markt kan nog gezegd worden dat ze in de klassieke interpretatie van de architecture majeure past. Maar het industriële erfgoed dat de Waalse scheepsliften vertegenwoordigen was op dat moment voor de Werelderfgoedconventie nog erg nieuw. En ook de begijnhoven wijken er als levende ensembles van volksarchitectuur duidelijk van af. Bovendien ging het voorstel niet enkel over wat de begijnhoven waren, maar ook over hoe nieuwe bewoners en gebruikers er vandaag mee omgaan.

De Vlaamse begijnhoven, een werelderfgoed in dertien onderdelen

De eerste Vlaamse werelderfgoednominaties waren vrij autonoom opgesteld en uitgewerkt door de Vlaamse overheid. De voorbereidingstijd voor het begijnhovendossier was relatief kort – het nominatiedossier werd in juni 1997 ingediend bij Unesco.

De Vlaamse overheid inventariseerde in het nominatiedossier 26, nog minstens ten dele bewaarde, begijnhoven in Vlaanderen. Dertien begijnhoven waren als ‘cas représentatifs’ geïdentificeerd. Dit waren de begijnhoven die de facto werden voorgedragen voor inschrijving op de Werelderfgoedlijst.

Meer zelfs, Suzanne had contact met haar Nederlandse tegenhanger om het voorstel uit te breiden met begijnhoven in Nederland (bijvoorbeeld in Amsterdam en Breda). Voor Unesco zou dat zeker een pluspunt zijn. Maar de Nederlandse rijksoverheid bleek niet geïnteresseerd.

Elke werelderfgoednominatie kent een grondige evaluatie door het Werelderfgoedcomité. Unesco stuurde het nominatiedossier naar ICOMOS, de internationale ngo die de Werelderfgoedconventie uitdrukkelijk noemt als één van de adviesverlenende organisaties. ICOMOS consulteerde een Britse expert, en stuurde iemand ter plaatse in februari 1998. Suzanne bezocht met die expert de dertien als representatief voorgestelde begijnhoven, maar ook een aantal twijfelgevallen (onder andere Antwerpen, Hasselt en Herentals).

Op basis van de verschillende rapporten van experts stelde ICOMOS een eindadvies op aan het Werelderfgoedcomité. Dat rapport concludeerde dat de Vlaamse begijnhoven een unieke culturele traditie met wortels in de middeleeuwen vertegenwoordigen. Hoewel deze traditie zich ook in andere streken in Noordwest-Europa ontwikkelde, zijn de meest representatieve begijnhoven op Vlaamse bodem te vinden.

ICOMOS bevestigde dat een inschrijving van alle zesentwintig begijnhoven te hoog gegrepen was. De organisatie sloot zich aan bij het voorstel om de inschrijving op de Werelderfgoedlijst te beperken tot de dertien voorgestelde en meest gave begijnhoven. Omdat deze het meest representatief zijn, rekening houdend met hun historische en architecturale ontwikkeling.

Het bureau van het Werelderfgoedcomité schaarde zich in juni 1998 al achter de analyse van ICOMOS. Tijdens de behandeling door het Werelderfgoedcomité  begin december van hetzelfde jaar in Kyoto (Japan), volgde er ook maar één vraag van de Algerijnse vertegenwoordiger over de bescherming van de begijnhoven. De Vlaamse vertegenwoordigers ter plaatse konden de comitéleden onmiddellijk geruststellen. Het voorstel werd dan zonder verdere bedenkingen of bezwaren toegevoegd aan de Werelderfgoedlijst. Deze dertien begijnhoven zijn sindsdien werelderfgoed:

  • Begijnhoven van het ‘stadstype’: Diest, Lier, Kortrijk, Groot Begijnhof in Mechelen, Sint-Amandsberg (Groot Begijnhof of Nieuw Begijnhof Sint-Elisabeth) en Tongeren
  • Begijnhoven van het ‘pleintype’: Brugge, Dendermonde, Hoogstraten, Sint-Truiden en Turnhout
  • Gemengde begijnhoven: Klein Begijnhof van Gent en Groot Begijnhof van Leuven.

De begijnhoven die het niet haalden waren de begijnhoven van Aalst, Aarschot, Antwerpen, Borgloon, Diksmuide, Gent (Groot Begijnhof of Oud Begijnhof Sint-Elisabeth), Hasselt, Herentals, Leuven (Klein Begijnhof), Mechelen (Klein Begijnhof), Oudenaarde, Overijse en Tienen.

De begijnhoven vandaag

Suzanne benadrukt tijdens het gesprek meer dan eens dat het voor Vlaanderen cruciaal was dat de begijnhoven geen musea zijn. Het zijn levende ensembles, die vaak een enigszins apart deel in de stad vormen. De laatste begijnen verdwenen, maar werden vervangen door gezinnen, studenten, kloosterzusters... Begijnhoven zijn vaak nog deels het collectieve eigendom van OCMW’s, kerkfabrieken, vzw’s of instellingen als de K.U.Leuven. Enkele begijnhoven zijn gedeeltelijk of volledig geprivatiseerd.

Suzanne is blij dat de begijnhoven er vandaag goed bijliggen. Dat is in haar ogen zeker één van de verdiensten van de Werelderfgoederkenning: die zorgt voor bewustwording en fierheid. Eigenaars zijn zich steeds meer bewust van de ‘Uitzonderlijke Universele Waarde’ van de Vlaamse begijnhoven.

Ook toeristische diensten zien de meerwaarde van een werelderfgoederkenning vandaag, en pakken uit met het exclusieve label. Suzanne stelt vast dat daarbij populaire technieken als storytelling gebruikt worden (een geleid bezoek met een als begijn verklede gids). Dat is meestal sympathiek, wanneer het kleinschalig of occasioneel gebeurt, maar we moeten bewaken dat het geen afbreuk doet aan het bijzondere karakter van het begijnhof. Hetzelfde geldt wanneer een begijnhof te populair wordt: te veel bezoekers zorgen ervoor dat het residentiële karakter onder druk komt te staan. Het is cruciaal dat begijnhoven woonensembles blijven!