Het Gentse naoorlogse erfgoed in kaart gebracht

Inventaris

Tijdens de beleidsperiode 2014-2019 zetten we als agentschap in op de inventarisatie en bescherming van naoorlogse architectuur (1945-1985) in Gent en deelgemeenten. Dit leverde een twintigtal beschermde monumenten op en een omvangrijke aanvulling van de Inventaris Onroerend Erfgoed.

Jong erfgoed onder druk

De eerste inventarisatie van de stad Gent en haar deelgemeenten gebeurde tussen 1975 en 1983. 20ste-eeuwse architectuur en zeker die uit de periode na 1945 was in deze eerste inventaris nog sterk ondervertegenwoordigd. Veel van de architectuur waaraan we nu erfgoedwaarde toekennen, was toen nog maar net of zelfs nog niet gebouwd. Ook werden deze ontwerpen toen nog niet ten volle geapprecieerd. Want er is afstand nodig in tijd om een realisatie te kunnen plaatsen ten opzichte van de context, de toenmalige ontwikkelingen en binnen het oeuvre van de architect.

Hoewel de architectuur van na de Tweede Wereldoorlog relatief jong is, staat dit erfgoed steeds vaker onder druk. De oorspronkelijke bouwheren en de eerste generatie(s) bewoners verlaten hun woning. Dit brengt soms een verkoop met zich mee, in bepaalde gevallen gevolgd door ingrijpende verbouwingen of zelfs sloop. Het is nu ook een unieke kans om de nog levende ontwerpers te contacteren en zo hun getuigenis mee te nemen en hun privéarchieven in te kijken.

Architectenwoning Fried Verschuren in Sint-Amandsberg

Architectenwoning Fried Verschuren (Sint-Amandsberg), 1975.

Van een intensief vooronderzoek…

De stedelijke dienst Monumentenzorg leverde een basislijst van naoorlogse architectuur die het vertrekpunt vormde van het onderzoek. Een belangrijke bron voor deze lijst was de publicatie 'Architectuur als buur', uitgegeven naar aanleiding van de gelijknamige tentoonstelling uit 1988. Het boek zette belangrijke getuigen in de kijker van de vooruitstrevende architectuur uit de periode 1968-1988 in Gent en nabije omgeving. We gingen aan de slag met de lijst en vulden deze aan op basis van literatuur, waaronder tijdschriften uit de bouwperiode, overzichtswerken en monografieën.

In een volgende fase voerden we voor de deelgemeenten gebiedsdekkend veldwerk uit. Hierdoor konden we alle panden op de lijst lokaliseren, fotograferen en controleren. Daarnaast konden we de lijst aanvullen met panden die niet vanuit de literatuur gekend waren, maar die wel beeldbepalend zijn in het straatbeeld of getuigen van een vooruitstrevende of voor de naoorlogse periode kenmerkende vormgeving. Voor de binnenstad zelf was dergelijk uitgebreid veldwerk moeilijker haalbaar. Voor dit gebied controleerden, verfijnden en vulden we de lijst aan op basis van desktoponderzoek en gericht veldwerk. Zo kwamen we uiteindelijk tot een uitgebreide lijst met in totaal meer dan 650 te onderzoeken naoorlogse panden.

… naar een selectie van inventaris- en beschermenswaardige realisaties

Na een eerste selectieronde gingen we op zoek in archieven om de architecten, bouwheren en bouwjaren te achterhalen. De bouwplannen bieden een essentiële inkijk in de oorspronkelijke toestand van de panden, het materiaalgebruik en hun vooruitstrevende, al dan niet traditionele planindeling. Na een grondige interne afweging en discussie, en in overleg met de stedelijke dienst Monumentenzorg, maakten we uiteindelijk een selectie van potentieel inventariswaardige panden. Een klein deel onderzochten we verder met interieurbezoeken om na te gaan of de panden in aanmerking kwamen voor een bescherming als monument. Hoewel we niet tot elk pand toegang kregen, konden we toch een representatief aantal panden evalueren als beschermenswaardig en startten we voor een twintigtal een beschermingsprocedure op.

Daarnaast vulden we de online inventaris aan met nieuwe, naoorlogse erfgoedobjecten. Ook bestaande inventarisfiches kregen een update. In totaal leverde dit bijna 200 nieuwe inventarisrelicten op en een 20-tal fiches kregen een update of werden uitgebreid met informatie over een naoorlogse bouwfase. Het Gentse stadscentrum telt het grootste aantal nieuwe erfgoedobjecten, namelijk meer dan 65. In de deelgemeenten bevindt de hoogste concentratie naoorlogse architectuur met erfgoedwaarde zich in Mariakerke met bijna 40 nieuwe erfgoedobjecten, gevolgd door Sint-Denijs-Westrem (25), Sint-Amandsberg (15) en Drongen (12). Ook voor de meeste andere deelgemeenten voegden we een aantal erfgoedobjecten toe.

Woning Wampers in Mariakerke

Woning Wampers (Mariakerke), architect Victor Laureys, 1959.

Een grote diversiteit aan naoorlogse architecten(bureaus)

Onder deze erfgoedobjecten bevinden zich realisaties van veel verschillende architecten. Het onderzoeksproject bood zo een belangrijke aanzet en stimulans voor het onderzoek van diverse architectenoeuvres.

Van sommige ontwerpers registreerden en evalueerden we maar één of enkele ontwerpen tijdens het vooronderzoek. In sommige gevallen heeft dit vooral te maken met de geografische spreiding van het specifieke oeuvre. Zo had de Oostendse architect Marcel Molleman een omvangrijk oeuvre, maar slechts twee van zijn ontwerpen bevinden zich in Gent. Ook van bekende architecten met een beperkter oeuvre zoals Juliaan Lampens, Jos Van Driessche en Ivan Van Mossevelde is het aantal Gentse ontwerpen relatief beperkt. Er zijn ook architecten waarvan het ruimere oeuvre momenteel onbekend is. Zo zijn er van architect Daniël Grootaert momenteel maar een beperkt aantal vooruitstrevende realisaties bekend in Gent, maar deze maken deel uit van een groter oeuvre dat voorlopig vrij onbekend is.

Maar er zijn ook architecten en architectenbureaus die hun stempel hebben gedrukt op de naoorlogse architectuur in de Gentse omgeving en een groot aantal ontwerpen realiseerden. Voorbeelden hiervan zijn Daniël Craet, Eric Balliu, Johan Baele en hun architectenbureau BARO, en Fritz Schaffrath & Jo Raman. Van elk van deze ontwerpers voegden we een vijftiental realisaties toe aan de inventaris en werd minstens één beschermd als monument.

Woning Cleyman in Wondelgem

Woning Cleyman (Wondelgem), architecten Raman en Schaffrath, 1972.

Vooruitstrevende woonhuisarchitectuur en architectenwoningen

Hoewel in de selectie diverse gebouwtypes aan bod komen, bestaat het merendeel uit woonhuisarchitectuur. Een interessante categorie daarin zijn architectenwoningen, omdat de ontwerpers in hun eigen woningen vaak volledig carte blanche hadden. Dit kan leiden tot uitzonderlijke of representatieve ontwerpen binnen hun oeuvre. De voorbije jaren beschermden we de architectenwoningen van Antoon Daemers, Louis Hagen, Ferdinand Schlich, Jos Van Driessche en Fried Verschuren als monument. In de inventaris werden ook enkele woningen van lokale architecten opgenomen, zoals Leopold Braeckman, Clemens Buntinx, Eddy De Rocker, Hugo Koch, Prosper Boutchon en Gaston Rombaut. Andere architecten kregen een gelijkaardige vrijheid van familie, vrienden of andere opdrachtgevers. Dit kon leiden tot een vooruitstrevende aanpak van zowel de planindeling als de vormgeving van het exterieur.

Vaak zijn interieur en exterieur in de naoorlogse realisaties onlosmakelijk met elkaar verbonden, zeker in het geval van eengezinswoningen. De woonhuizen in de deelgemeenten zijn grotendeels opgevat als alleenstaande villa’s of bungalows. In Gent zelf werden ook appartementsgebouwen en meergezinswoningen opgenomen in de inventaris en maken de woonhuizen vaker deel uit van een rijbebouwing. In sommige gevallen wordt wonen gecombineerd met andere functies, zoals winkels of kantoren.

Wat betreft groepswoningbouw namen we al enkele jaren geleden een grote selectie wijken en ensembles op in de inventaris vanuit het onderzoek naar sociale huisvesting in Vlaanderen. Een deel van de Gentse sociale woonwijken is naoorlogs, zoals de wijk Malem en de hoogbouwwijk rond de Watersportbaan. Bij de huidige herinventarisatie werden enkele kleinschaligere, private initiatieven opgenomen in de inventaris. De meest opmerkelijke is de modernistische modelverkaveling van experimentele villa’s en bungalows in de buurt van de Korte Rijakkerstraat in Mariakerke. Deze werd vanaf 1955 uitgebouwd door voornamelijk architecten René Heyvaert en Olivier Nowé, en Daniël Craet. Ook de architectenwoningen van Nowé en Craet bevinden zich respectievelijk in of vlakbij deze verkaveling. Craet ontwierp bovendien in de vroege jaren 1960 een interessant woningensemble aan de Armand Bourdonlaan in Sint-Denijs-Westrem.

Architectenwoning Olivier Nowé in Mariakerke

Architectenwoning Olivier Nowé (Mariakerke), 1958.

Openbare gebouwen

Behalve woningen onderzochten we ook andere gebouwtypes. Zo werd een opvallend schoolgebouw, namelijk het Provinciaal Handels- en Taalinstituut, als monument beschermd. Bij andere Gentse onderwijsgebouwen, die opgenomen waren in de inventaris, konden we nu bijkomend aandacht schenken aan de naoorlogse bouwfasen. Een voorbeeld hiervan is de brutalistische kapel van Marc Dessauvage bij het Sint-Lievenscollege. Bij het Stedelijk Instituut voor bijzonder beroepsonderwijs aan de Oudenaardsesteenweg, een ontwerp van BARO, ging het kenmerkende karakter in de loop van het onderzoek helaas te veel verloren door verbouwingen, waardoor het uiteindelijk niet meer werd opgenomen in de inventaris.

Ook de kantoorbouw is vertegenwoordigd in de aanvulling van de inventaris. Zo vulden we onder meer de inventarisfiche van het Kantoorgebouw De Noordstar en Boerhaave aan met de naoorlogse bouwfase. Het nabijgelegen kantoorgebouw van de Algemene Centrale der Liberale Vakbonden van België beschermden we als monument voor de kwalitatieve bouwfasen uit het interbellum en de vroege naoorlogse periode. Het enige naoorlogse erfgoedobject van Ledeberg, het UCO-complex, blijft ondanks verbouwingen een representatief voorbeeld van modernistische hoogbouw. Ook bijvoorbeeld het Gemeentelijk administratief centrum in Gentbrugge vormt een interessant voorbeeld van naoorlogse kantoorbouw, terwijl andere nieuwe erfgoedobjecten eerder een multifunctioneel karakter hebben, zoals het Internationaal Congrescentrum (ICC) aan het Citadelpark.

Provinciaal Handels- en Taalinstituut

Provinciaal Handels- en Taalinstituut, architecten Jan Tanghe en Francis Serck, 1959-1984.

Tot een groter bewustzijn

Het onderzoek van deze naoorlogse architectuur biedt inzicht in de vormelijke keuzes en beïnvloeding van architecten, de evolutie van hun oeuvres, de context en hun onderlinge contacten. Ook draagt de ruime inventarisatie van dit erfgoed bij tot het verhogen van het bewustzijn bij zowel eigenaars en bewoners, als bij een breed publiek. We willen hiermee ook de erkenning van de erfgoedwaarde van deze panden stimuleren. Deze selectie vormt de basis voor het lokale onroerenderfgoedbeleid, dat zich voor deze naoorlogse architectuur kan ontwikkelen. De wettelijke bescherming van de meest representatieve of uitzonderlijke creaties vrijwaart bovendien een belangrijke selectie voor toekomstige generaties. De ervaring opgebouwd uit dit onderzoeksproject, kan een stimulans zijn voor de verdere uitbouw van een expertise in het waarderen van naoorlogs erfgoed in de rest van Vlaanderen.

Meer weten?

Om meer te weten te komen over al deze panden en hun architecten, kan je grasduinen in onze online inventaris. Je kan er alle nieuwe en uitgebreide erfgoedobjecten raadplegen. Zoek je specifiek de fiches van de beschermde monumenten? Deze kan je hier nalezen. In een recente uitgave van het tijdschrift M&L verscheen een artikel van collega Veerle de Houwer over één van de recente beschermingen: de architectenwoning van Jos Van Driessche in Sint-Denijs-Westrem. In 2020 zijn bovendien nog artikels en een lezing over het onderzoeksproject gepland!

 

Afbeelding bovenaan: Kunstenaarswoning van Jan Burssens (Mariakerke), architect Daniël Craet, 1957.