Metaaldetectie 2020: Bliep, tuut, piep en hun waarde voor archeologisch onderzoek en beheer

Archeologie

Recent was er in het parlement een Vraag om Uitleg aan Vlaams minister van Onroerend erfgoed Matthias Diependaele: ‘Waarom stijgt het aantal meldingen van detectievondsten niet mee met het aantal erkende detectoristen?’ Goeie vraag, maar niet eenvoudig te beantwoorden. Niet iedereen zoekt even frequent, en niet iedereen vindt evenveel. Een patroon dat we echter wel vaststellen, is dat er soms dingen wel gevonden maar niet gemeld worden. We willen niet suggereren dat dat uit kwade wil gebeurt, maar het is wel jammer, want het belet ons de juiste wetenschappelijke conclusies te trekken.

Van de 44735 archeologische vindplaatsen (op 18 februari 2020) in de Centrale Archeologische Inventaris (CAI), zijn er 5609 aangeleverd via de melding van een metaaldetectievondst. Soms gaat het om slechts één object, soms werd een groep vondsten als een geheel gemeld. Deze meldingen worden in de CAI per ‘datering’ en ‘interpretatie’ van de vondsten gegroepeerd, zodat één dergelijk item in de CAI potentieel enkele tientallen tot honderden objecten kan vertegenwoordigen, zoals een Romeinse muntschat of een verzameling musketkogels. 

Deze vroegmiddeleeuwse 'ketel', gevonden in de buurt van Zoutleeuw, wijst waarschijnlijk op de aanwezigheid van een grafveld. 

Het nut van deze meldingen voor onderzoek en beheer behoeft nauwelijks nog nadere uitleg. Net als alle andere waarnemingen in de CAI wijzen de vondsten soms op belangrijke en voorheen onbekende archeologische sites, of geven ze extra informatie over al gekende sites. Voor sommige periodes en types van site vormen de metaaldetectievondsten bovendien unieke bronnen van informatie. Ze wijzen op de uitgestrektheid van bijvoorbeeld slagvelden en militaire kampen. Ze bieden een houvast om sites te dateren en karakteriseren. Of ze vormen, in het geval van zogenaamde ‘depotvondsten’ (muntschatten, deposities van bronzen bijlen, …), archeologische sites op zich.

Het combineren van al deze gegevens laat toe het niveau van de individuele site te overstijgen en regionale patronen te onderzoeken. Soms kan zelfs één enkele vondst tot nieuwe inzichten leiden, zoals de bekende ‘Odinpin’, die in de Maasvallei gevonden is en bewijst dat de Vikingen effectief in onze contreien voet aan wal gezet hebben (fig 2). Steeds vaker onderneemt het agentschap Onroerend Erfgoed actie, in samenwerking met MEDEA en andere partners zoals lokale en regionale erfgoeddiensten, om dergelijke bijzondere vondsten en collecties in detail te inventariseren en registreren, en te publiceren in vakbladen en rapporten. 
 

De befaamde ‘Odinpin’ uit de Maasvallei geeft een zeldzaam archeologisch houvast voor de aanwezigheid van de Vikingen in onze regio. (Foto: Mario Huybrechts, Internetgazet.be)

Het gebruik van gegevens verkregen door metaaldetectie, neemt sterk toe in het beheer van archeologisch erfgoed. Archeologische bedrijven gebruiken deze data om bij bouw- en infrastructuurwerken het zogenaamde preventief onderzoek te motiveren. Onroerend Erfgoed gaat met die gegevens dan weer aan de slag om een selectie van vindplaatsen te evalueren en eventueel te beschermen als archeologische site, met mooie voorbeelden als de onderzoeken te Kampenhout en Kortenaken. Heel soms zijn detectievondsten zelfs de primaire aanleiding voor het opgraven van door erosie bedreigde sites, zoals het Romeinse heiligdom van Peer

Bronzen hielbijl uit de bronstijd, gevonden in de buurt van Maarkeldal.

Het legaliseren van metaaldetectie gebeurde destijds onder een grote voorwaarde: een goede samenwerking tussen detectoristen en overheid. Zoekers kunnen nu ongestoord zoeken, in ruil voor de wetenschappelijke data van hun vondsten. Met een wetgeving terzake die pas in 2016 uit de startblokken schoot, staat deze materie momenteel nog in de kinderschoenen. We weten dat het nog heel wat werk is om de kwaliteit van de meldingen op te krikken. Er mogen betere foto’s bij de meldingen, en een vlottere doorstroming van gegevens naar de CAI is wenselijk. Die aspecten zullen in volgende blogs nog aan bod komen. Maar ook het aantal meldingen moet naar omhoog. En daarvoor kijken we naar jullie, de detectoristen. Wij stellen nog te vaak vast dat men niet de moeite doet om werkelijk alle vondsten te melden. Met deze blog hebben we proberen uitleggen waarom het zo belangrijk is om dat net wél te doen. Onroerend Erfgoed zou de metaaldetectoristen graag beschouwen als onze ogen en oren op het terrein. Door al je vondsten te melden doe je écht aan wetenschap, aan citizen science. Wie kan dat zeggen over zijn hobby? 

 

Foto bovenaan: het terrein naast de Abeek in Peer, waar men dankzij eerdere detectievondsten twee cultusplaatsen uit de eerste eeuw voor Christus ontdekte.