Moedercultuur aan het front

Ze heette Mieke Debeuf, maar de soldaten noemden haar ‘la Joconde’. Wat een koppige vrouw moet dit geweest zijn. Moedig ook. Zij leefde aan de IJzer, in een huisje op de dijk: twee kamertjes met een Leuvense stoof en een annex met geit. Op de kachelpijp een casserole aardappelen en een pot koffie. Meer was het niet. In haar gedachte ging ze daar een rustige oude dag tegemoet. Maar de wereldgeschiedenis gaf er een onverwachte wending aan. Want in november 1914 nestelde de oorlog zich dicht bij haar huis in Sint-Jacobs-Kapelle, knal op het front.

Haar zicht over de polders van de IJzervlakte veranderde in een moerassig oorlogslandschap. De Duitsers installeerden zich langs de weg Diksmuide-Woumen en de Belgische stellingen kwamen langs de IJzerdijk. De burgerbevolking maakte zich uit de voeten, want aan het front werden geen burgers geduld. Het was er veel te gevaarlijk, maar ook onleefbaar te midden de gevechtsoperaties. Iedereen vertrok. Mieke Debeuf bleef. Ook al werd haar schamele huisje aan flarden geschoten, ongestoord bleef zij zitten waar zij zat. Alsof het haar allemaal niet kon deren.

Dit verhaal kwam naar boven tijdens het onderzoek dat we deden naar oorlogslandschappen uit de Eerste Wereldoorlog. De resultaten van dat onderzoek werden in 2012 voorgesteld. Het huisje van Mieke Debeuf stond in de huidige vastgestelde ankerplaats van de Landschapsatlas ‘Poldergebied van Lampernisse en omgeving’.

Een veteraan beschrijft na de oorlog hun eerste ontmoeting. Hoe een bataljon jagers te voet, een compagnie cyclisten en een mitrailleurcompagnie op 21 december 1914 de opdracht kreeg een bruggenhoofd te installeren aan de andere kant van de IJzer bij het bosje van het ‘presqu’île’. De bedoeling van de operatie ontging hen, maar bevel is bevel. En dus vertrok de groep uit Lo, richting IJzer. Om vier uur ’s nachts stonden ze in de haastig gegraven loopgraven op de IJzerdijk, met hun voeten in het water. Iedereen had honger, dorst, kou. Stond daar toch geen bejaarde vrouw dampende mokken koffie uit te schenken. Bij gebrek aan beter gebruikte ze een ijzeren geëmailleerde nachtpot. Maar de koffie was warm. En het gebaar hartverwarmend. De soldaten bleven en zo ook Mieke Debeuf. “Vanuit een kaduuke stoel bij de haard bekeek het oudje zwijgend het komen en gaan van de soldaten, berustend in de vreselijke tragedie die zich voor haar afspeelde.”

De oversteekplaats naar het bruggenhoofd lag bij haar huis. Omdat het bruggenhoofd bezet bleef, richtte de commandant van de eenheid er zijn gevechtspost in. De muren van het huisje werden versterkt met gewapend beton en vormde samen met redoute Albert en Elisabeth een reeks fortificaties langs de IJzerdijk. Mieke Debeuf werd een deel van het oorlogsmeubilair. Gerespecteerd, op handen gedragen door de soldaten, de zorgende moeder in een door blind geweld getekende harde wereld. Wie overleefde, herkende graag in haar de bemoederende, taaie, wijze vrouw die ze zo van thuis uit misten. Zo ontstond een soort ‘moedercultuur’. Wat ‘la mama’ voor de Italianen was, betekende Mieke Debeuf voor de Belgische soldaten aan het IJzerfront. Al tijdens de oorlog verschenen foto’s van deze merkwaardige vrouw tot in buitenlandse magazines toe. Haar reputatie groeide, zeker nadat zelfs de koning en de koningin haar als oorlogsheldin erkenden.

Bleef Mieke Debeuf de hele oorlog aan het front? Nee. Een obus van een zware Duitse batterij trof haar huisje. Gewond werd ze geëvacueerd. Tegen haar zin. Maar ze overleefde wel. En toen ze (waarschijnlijk) op 75-jarige leeftijd overleed, schreven ‘haar soldaten’ een warm in memoriam. Vergeten was ze nog lang niet.

Deze post verschijnt hier naar aanleiding van Internationale vrouwendag.

Bronnen:

TASNIER L. 1928: Notes d'un combattant de la campagne1914-1918, Bruxelles.
Le Miroir, nr. 155, 157, 1915.http://data.bnf.fr/15912673/mieke_deboeuf