SYNTAR 1: Versleten of kapot? Perfect!

Archeologie

Sinds 2018 geeft de Vlaamse Regering jaarlijks een projectsubsidie voor syntheseonderzoek van archeologische opgravingsresultaten. Deze onderzoeken trekken weg van de vindplaats en proberen het bredere plaatje te vatten, om zo tot echt nieuwe kennis over het verleden te komen. Vandaag stelt een deel van die eerste lichting uit 2018 haar resultaten voor op een studiedag. Wij publiceren elk onderzoek online via de nieuwe reeks SYNTAR, en wijden aan ieder nummer ook een blog. We trappen de reeks af met SYNTAR 1: ‘Functioneel onderzoek van Vlaamse steentijdsites’ door Tracéolab.

 

Als je werktuigen gebruikt, verslijten ze en gaan ze uiteindelijk stuk. In de steentijd was dat jammer genoeg niet anders. Maar voor archeologen is dat net héél interessant. 

 

Uit de steentijd vinden we meestal, what’s in a name?, alleen de stenen onderdelen van werktuigen terug, zonder hun houten stelen of handvaten. Ook wat men ermee maakte, zoals voedsel of kledij, is al lang vergaan. De slijtage van die stenen werktuigen is dan de enige getuige van hoe en waarvoor ze werden gebruikt; ze bestuderen de enige manier om te weten te komen wat de prehistorische mens er precies mee heeft uitgevreten. 

Dat is specialistenwerk. Er komen vaak microscopen aan te pas om tienduizend jaar oude breuken en sleet in groot detail te bekijken. Elk materiaal en elke handeling laat andere sporen achter. Snijden van riet polijst de rand van de vuursteen bijvoorbeeld op een andere manier dan graveren van been. De plaats van die sporen vertelt bovendien welke zijde werd gebruikt en waar misschien een handvat zat. Al die zaken visueel herkennen vraagt jaren ervaring. Bovendien moeten de activiteiten nagebootst worden in experimenten om de gebruikssporen te kunnen vergelijken met die uit de steentijd.

Soms zitten er nog residu’s op de stenen werktuigen: heel kleine restanten van de bewerkte materialen zoals planten of huid, of van de hars waarmee de steen aan het handvat was gelijmd. Met chemische analyses kan bepaald worden welk materiaal in contact kwam met het stenen werktuig.

Kleine beschadigingen tonen aan dat dit stukje vuursteen 12.000 jaar geleden als pijlpunt werd gebruikt. (©Traceolab)

 

Foto boven ⬆️: Om te leren welke beschadiging een prehistorische handeling veroorzaakt, moesten de onderzoekers ze eerst nabootsen. (©Traceolab)

 

Aan de universiteit van Luik legt een hele onderzoeksgroep, het Traceolab, zich hier al jaren op toe. Deze specialisten hebben nu een reeks Vlaamse steentijdsites onder de loep, of beter onder de microscoop, genomen. Daaruit blijkt dat de Vlaamse vindplaatsen heel geschikt zijn voor dit soort onderzoek. Zelfs de slecht bewaarde vondsten leverden nog goede resultaten op. Het is mogelijk om te bepalen welke materialen werden bewerkt (planten, huid, been, …), en of een handvat werd gebruikt en hoe dit was bevestigd.

Men kon bijvoorbeeld vaststellen dat er op de site Lommel Maatheide met pijl en boog werd geschoten. De pijlpunten braken immers steeds af op een karakteristieke manier wanneer ze het bot van een ongelukkige prooi raakten. Ook ontdekte men dat heel wat stukken die meestal niet als ‘werktuig’ worden benoemd, toch zo werden gebruikt. Daarnaast bleken er nog residu’s bewaard op werktuigen van verschillende vindplaatsen. Meestal gaat het om resten van planten. 

 

De studie van Traceolab toont aan dat we nog veel over de steentijd kunnen leren door verder onderzoek van de Vlaamse vindplaatsen. Je kan het hele rapport lezen op: https://oar.onroerenderfgoed.be/item/5846.