SYNTAR 4: Community Supported Agriculture avant la lettre

Archeologie

Sinds 2018 geeft de Vlaamse Regering jaarlijks een projectsubsidie voor syntheseonderzoek van archeologische opgravingsresultaten. Deze onderzoeken trekken weg van de vindplaats en proberen het bredere plaatje te vatten, om zo tot echt nieuwe kennis over het verleden te komen. Wij publiceren elk onderzoek online via de nieuwe reeks SYNTAR. Het vierde nummer in deze reeks, “Een artisanaal kwartier van een laat-Karolingisch tot volmiddeleeuws domein te Rotselaar – Wijngaard?”, brengt het verslag van een onderzoeksproject van het Vlaams Erfgoedcentrum (VEC), in samenwerking met de universiteit van Leuven, de universiteit van Brussel, de intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst WinAr, historicus Bart Minnen en de bouwheer Durabrik.

Een geplande verkaveling in de nieuwbouwwijk “de Wijngaard” te Rotselaar vormde in 2015 de aanleiding voor een archeologisch onderzoek. De archeologen van het VEC vonden er de overblijfselen van 54 half ingegraven hutten met daarin onder andere maalstenen en resten van verkoolde granen. De onderzoekers stonden voor een raadsel. Waarvoor, door wie en wanneer werden deze hutkommen gebruikt?

De site in Rotselaar bleek een plaats te zijn waar men in de vroege middeleeuwen (7de – 10de eeuw na Christus) op grote schaal graan maalde. Het syntheseproject richtte zich daarom op twee grote vraagstukken. Het eerste focust op de site zelf: Welke gewassen hebben onze middeleeuwse voorouders er verwerkt? Waar kwamen de maalstenen vandaan? Wat was de precieze datering van deze site? Het tweede vraagstuk spitste zich meer toe op de landschappelijke omgeving en het ruimer historisch kader waarbinnen de vindplaats ontstond en actief was. En hoe kwam ze tot haar einde?

Elite of vrije boeren?

Er bestaat over het algemeen nog heel wat onduidelijkheid over de economische omstandigheden tijdens de vroege middeleeuwen. Werd die gedragen en ontwikkeld door een kleine elitegroep, enkelingen die profiteerden van een gunstige economische situatie ten koste van een groot deel van de bevolking? Of was er eerder sprake van een gemeenschap waarin ook vrije boeren een belangrijke (of belangrijkste) actieve rol speelden en mee de vruchten plukten van de opbrengst? De opgraving in Rotselaar is een belangrijk puzzelstukje in onze kennis van de economie binnen deze vroegmiddeleeuwse landbouwgemeenschappen.

14C-dateringen lieten toe om de site nauwkeurig te dateren tussen 670 en 990 na Christus. Een verrassend resultaat, want dit soort gegroepeerde artisanale sites zijn meestal veel jonger. Nog een verrassing: uit de analyse van de maalstenen bleek dat ze geïmporteerd werden uit een wijdverspreid gebied. Van de Duitse Eiffel en de Belgische Ardennen tot het noorden van Frankrijk. Bovendien zijn er maalstenen gevonden die horen bij een rosmolen, en dat is bijzonder. Het gebruik van rosmolens wijst op de aanwezigheid van kapitaal, organisatiekracht en technische vaardigheid. Dit type door paarden aangedreven molens geraakte in onbruik na de Romeinse tijd, om pas in de late middeleeuwen terug op te duiken. Of dat dacht men toch! Momenteel is Rotselaar-Wijngaard de oudst gekende vindplaats van middeleeuwse rosmolens in noordwest Europa. 

Van het graan weten we dat het eerst off-site van akkeronkruiden was gescheiden. Isotopenanalyses toonden een grote variëteit aan akkers. Resten van erwten duiden dan weer op akkerbouw volgens het zogenaamde drieslagstelsel. Deze nieuwe landbouwtechniek waarbij op eenzelfde akker teelten werden afgewisseld, deed bij ons zijn intrede in de loop van de 9e eeuw. Volgens de analyses ontstond het Rotselaarsveld, de belangrijkste akker van Rotselaar, in de 10e eeuw. Deze datering valt samen met het ontstaan van Rotselaar als landbouwnederzetting.

 

 

 

 

 

 

 

Sporen van een hutkom (foto: VEC) 

Goed georganiseerd

We kunnen hier spreken van een georganiseerd landbouwbedrijf waarin volgens berekeningen twaalf tot vijftien huishoudens betrokken waren. In de vroege middeleeuwen was dat genoeg om twee tot drie landbouwnederzettingen te vullen. De locatie langs de rivier de Dijle was ongetwijfeld geen toeval. Fysisch-geografisch onderzoek heeft uitgewezen dat de Dijle vanaf de laat-Romeinse tijd goed bevaarbaar was. Alle meeropbrengsten konden langs het water vervoerd en verhandeld worden. Hiermee had de productieplaats Rotselaar een behoorlijk afzetgebied tot haar beschikking.

Uit historisch onderzoek blijkt dat de Wijngaardsite tot in de 10e eeuw niet behoorde tot een adellijk domein. De plaats lijkt te zijn ontstaan niet vanuit een elite maar als het gevolg van een gemeenschappelijk initiatief van vrije lokale boeren. Maar in de loop van de 10e eeuw kwam daar verandering in. Nieuwe machthebbers, waaronder de bisschop van Luik en de graaf van Leuven, kregen greep op het gebied en de opkomst van de eerste steden leidde tot een veranderend economisch klimaat. De rosmolens verdwenen, maar de plek bleef interessant voor gelijkaardige artisanale activiteiten. Twee eeuwen later liet de graaf van Leuven een 150-tal meter ten oosten van de site een kanaal graven met maar liefst 4 watermolens. Eén van deze watermolens domineert als verre nazaat van onze vindplaats vandaag nog steeds het mooie landschap langs de oever van de Dijle.

 

Je kan het hele rapport lezen op: https://oar.onroerenderfgoed.be/item/6367