De Code van Goede Praktijk

De Code van Goede Praktijk voor Archeologie en Metaaldetectie heeft als doel een standaard aan te bieden voor de kwaliteit van archeologisch onderzoek en het gebruik van metaaldetectoren in Vlaanderen.

Die standaard legt de ondergrens voor kwaliteit vast en laat toe om geleverde resultaten op kwaliteit te vergelijken. Daarmee biedt ze aan erkende archeologen en erkende metaaldetectoristen het kader waarbinnen zij hun activiteiten kunnen uitoefenen. En aan de erkende onroerenderfgoedgemeenten en de Vlaamse Overheid de norm waaraan ze de kwaliteit van deze activiteiten kunnen toetsen. Deze Code heeft een bindend karakter, in tegenstelling tot handleidingen.

De Code van Goede Praktijk voor de uitvoering van en rapportering over archeologisch vooronderzoek en archeologische opgravingen en voor het gebruik van metaaldetectoren, werd op 11 december 2015 door de bevoegde minister vastgesteld. Sinds 1 april 2016 vervangt de Code van Goede Praktijk definitief de archeologische Minimumnormen.

Aanpassingen aan de Code van Goede Praktijk (versie 3.0)

Sinds 1 januari 2017 gold versie 2.0 van de Code van Goede Praktijk. Na anderhalf jaar praktijkervaring was het tijd voor een tweede actualisatie. Die kwam er met inbreng van onder meer VONA, aardkundigen en depotverantwoordelijken. Versie 3.0 van de Code van Goede Praktijk is van toepassing vanaf 1 oktober 2018.

De belangrijkste aanpassingen zijn:

  • Er kwam een uitbreiding van het toepassingsgebied van de archeologienota met beperkte samenstelling. Vroeger mocht er slechts op basis van één doorslaggevend aspect aangetoond worden dat geen erfgoed aanwezig is, geen verstoring zal plaatsvinden of geen kenniswinst mogelijk is. Vanaf nu kan dat op basis van meerdere aspecten, die wel nog steeds beperkt in aantal moeten zijn. Vroeger moest men bovendien “met aantoonbare zekerheid” aantonen dat geen erfgoed aanwezig is, geen verstoring zal plaatsvinden, of geen kenniswinst mogelijk is. Dit is vanaf nu “met hoge waarschijnlijkheid”. Dit sluit meer aan bij de archeologische realiteit en de formuleringen over de kaart met gebieden waar geen archeologisch erfgoed te verwachten valt.
  • De omvang en diepgang van het archeologierapport kregen een afslanking. De basis voor deze rapportering is het veldwerk, zonder assessment of verwerking. De op te nemen informatie blijft beperkt tot wat strikt noodzakelijk is op dat punt in het archeologisch onderzoek.
  • De handelingen die nodig zijn om een aardkundig onderzoek uit te voeren en de inzet van de aardkundige daarbij, werden scherper gesteld en ingeperkt.
  • Het aantal natuurwetenschappelijke stalen dat men ongezeefd moet bijhouden en het volume daarvan, ging naar beneden.
  • Passages die tot foutieve interpretaties leidden en daarmee tot overbodige inspanningen zijn verdwenen of scherper geformuleerd.