De visienota en vertaling van de principes

Op vrijdag 26 februari 2021 keurde de Vlaamse Regering de Visienota Lokaal Onroerenderfgoedbeleid goed.

De visienota vertrekt van het idee dat de zorg voor het onroerend erfgoed een gedeelde verantwoordelijkheid is voor het Vlaamse en lokale bestuursniveau. Lokale besturen - en vooral erkende onroerenderfgoedgemeenten - krijgen meer verantwoordelijkheid en ruimte om een lokaal onroerenderfgoedbeleid te ontwikkelen. De erkende intergemeentelijke onroerenderfgoeddiensten zien hun ondersteunende en sensibiliserende rol bevestigd.

Download de Visienota Lokaal Onroerenderfgoedbeleid:

De visienota vormde het beginpunt van een participatief traject met de lokale besturen om de principes uit de visienota te vertalen en concreet te maken. Die oefening was belangrijk om nadien goed te starten met de eigenlijke implementatie van de visienota, bijvoorbeeld de aanpassing van regelgeving of de ontwikkeling van IT-toepassingen. We bundelden de output van dit traject in een eindrapport aan de minister.

Het eindrapport werd op 23 juli 2021 aan de minister bevoegd voor onroerend erfgoed bezorgd. Dit rapport concretiseert de keuzes die in de visienota gemaakt zijn.  

Download en lees het eindrapport:

De minister schaarde zich achter de gedragen voorstellen geformuleerd in het eindrapport. De principes en keuzes zijn helder. Je kan ze nalezen in de startnota over de implementatie:

Wat zijn de uitgangsprincipes?

De visienota lokaal onroerenderfgoedbeleid gaat in op een aantal thema’s waar lokale besturen meer mogelijkheden en bevoegdheden krijgen. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen lokale besturen zonder erkenning, erkende intergemeentelijke onroerenderfgoeddiensten en erkende onroerenderfgoedgemeenten.

  1. Het agentschap onroerend Erfgoed blijft de penhouder bij het voorbereiden van het Vlaamse onroerenderfgoedbeleid, maar zal daarvoor structureel en nauw samenwerken met lokale besturen. Dat houdt betrokkenheid in bij het opstellen van een omgevingsanalyse en formuleren van beleidsdoelstellingen in voorbereiding op nieuwe Vlaamse beleidsperiodes, maar ook bij de opmaak van nieuwe beleids- of regelgevingsvoorstellen. In ruil rapporteren lokale besturen over de manier waarop zij mee invulling geven aan die beleidsdoelstellingen. Concreet wordt gedacht in de richting van ‘atria onroerend erfgoed’, naar analogie met de Atria Ruimtelijke Ordening, en ad hoc overleg met vertegenwoordigers uit een pool van lokale experts.
  2. Beleidsmonitoring en -evaluatie is in de toekomst gebaseerd op onderlinge samenwerking tussen het Vlaamse en het lokale bestuursniveau. Vlaanderen en de lokale besturen bepalen in onderling overleg welke indicatoren en thema’s aan bod komen, en bepalen de meetmethode. Vlaanderen zorgt voor bundeling van de gegevens. De cijfers bieden lokale besturen houvast bij het uitdenken en bijsturen van hun onroerenderfgoedbeleid.
  3. Voor de archeologische toevalsvondsten werken we een scenario uit waarbij Vlaanderen bevoegd blijft voor de melding en de eindverantwoordelijkheid voor het onderzoek, maar waarbij lokale partners een structurele rol kunnen opnemen. Dat kan bv. de waardering van de vondsten zijn, de uitvoering van het archeologisch onderzoek of de verspreiding van de resultaten. Samenwerkingsovereenkomsten kunnen daar een instrument voor bieden.
  4. De uitgangspunten voor het inventariseren van onroerend erfgoed kregen vorm. Vlaanderen inventariseert archeologische zones en ankerplaatsen in de landschapsatlas, de lokale besturen inventariseren bouwkundig erfgoed en landschapselementen. Daarvoor krijgt de inventaris een logischere indeling met een opdeling in landschapsatlas en inventaris van landschappelijk erfgoed. Die laatste combineert de vroegere inventaris houtige beplantingen met erfgoedwaarde, de inventaris van historische tuinen en parken en de landschapselementen uit de Landschapsatlas. Het inventariseren is een vrije keuze voor lokale besturen, behalve onroerenderfgoedgemeenten: voor hen is het een verplichting. Voor het gezamenlijke beheer van de inventarissen komt er een centrale databank, onder de werktitel ‘Erfgoedportaal’, waarin elk van de betrokken partijen autonoom gegevens kan invoeren binnen de gemaakte afspraken en kwaliteitsstandaarden. Elk lokaal bestuur dat de verantwoordelijkheid wil opnemen voor invoer en bewerken van gegevens in het Erfgoedportaal doorloopt een ‘on boarding’- procedure en ondertekent een gebruikersovereenkomst. Een vertegenwoordiging van lokale besturen wordt betrokken bij de governance van het instrument.
  5. Onroerenderfgoedgemeenten kunnen inventarissen bouwkundig of landschappelijk erfgoed geheel of gedeeltelijk vaststellen. In voorbereiding daarop stelt Vlaanderen een laatste keer de inventaris bouwkundig erfgoed vast, zodat alle betrokken besturen van op een zelfde basis kunnen vertrekken. Het vaststellen van de inventaris van archeologische zones en de landschapsatlas blijft een Vlaamse bevoegdheid, maar in versterkte samenwerking met lokale besturen. Erkende onroerenderfgoedgemeenten kunnen aan de vastgestelde inventarissen rechtsgevolgen koppelen en toelatingsplichtige handelingen bepalen. Het gaat dan bv. over onderhoudswerken, wijzigingen of vervangen van schrijnwerk, gevels en daken. De vaststellingsprocedure met openbaar onderzoek en de modaliteiten voor de rechtsgevolgen en toelatingsplichten worden vastgelegd in regelgeving. Die weerspiegelen de bestaande Vlaamse procedures. Het ontsluiten van de vaststellingen en rechtsgevolgen gebeurt op een centraal platform, het ‘Erfgoedportaal’.
  6. Voor het beschermen van onroerend erfgoed blijft het agentschap bevoegd, onder meer om een Vlaams niveau van bescherming te garanderen. Maar omdat er veel terreinkennis aanwezig is bij lokale besturen en IOEDs, wordt er nauwer met hen samengewerkt. Erkende onroerenderfgoedgemeenten en intergemeentelijke onroerenderfgoeddiensten krijgen daarbij een bevoorrechte positie. Bij het begin van een Vlaamse regeerperiode leggen het agentschap en de lokale besturen voortaan samen een voorstel voor aan de minister met de thema’s en een planning. Het aansnijden van elk beschermingsthema gebeurt in nauwe samenwerking tussen Vlaanderen en het lokale bestuursniveau. Bij het beheer van het beschermde erfgoed blijft de bestaande rolverdeling behouden.
  7. De samenwerking op het vlak van handhaving rond onroerend erfgoed wordt versterkt. We zetten in op pro-actieve controle in functie van efficiëntere handhaving. Lokale besturen nemen een sterkere rol op bij d eerste vaststellingen en de zachte handhaving, terwijl Vlaanderen focust op het vervolgen en harde handhaving. Daarvoor stellen erkende onroerenderfgoedgemeenten verplicht een gemeentelijke verbalisant aan. Vlaanderen organiseert voor hen nieuwe opleidingsmogelijkheden. Lokale besturen kunnen, in samenwerking met de Vlaamse overheid, ook taken zoals preventie, sensibilisering en proactieve controle opnemen. Er wordt verder gewerkt aan een online handhavingsplatform, dat toelaat om vlot informatie uit te wisselen tussen alle betrokken partijen.
  8. De voorwaarden voor de erkenning van onroerenderfgoedgemeenten en IOED’s krijgen een aantal nieuwe accenten. IOED’s moeten zich qua samenstelling en grootte conformeren aan de referentieregio’s die de Vlaamse regering vastlegde. Op die manier zullen grotere samenwerkingsverbanden ontstaan met meer slagkracht. De voorwaarden voor de OEG’s reflecteren onder meer de nieuwe bevoegdheden op het vlak van inventariseren en vaststellen. De inhoudelijke rapportering door de IOED’s en de bijhorende opvolging wordt driejaarlijks.
  9. De financiering van erkende onroerenderfgoedgemeenten en IOED’s focust op een overzichtelijke structurele basisfinanciering: 
    • IOED's ontvangen een vaste basisfinanciering, mits de gemeenten die lid zijn van de IOED allemaal samen eenzelfde eigen bijdrage voorzien.
    • Erkende gemeenten ontvangen voortaan ook een subsidie, waarvan het bedrag bepaald wordt door hun statuut. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen drie groepen: kunststeden, andere centrumsteden en steden of gemeenten met minstens twee werelderfgoederen, en alle andere Vlaamse gemeenten.
      De subsidie kadert in een meerjarige samenwerkingsovereenkomst en verwacht een jaarlijkse rapportering over de benutting van de middelen. Er wordt voorlopig geen invulling gegeven aan de projectmatige financiering die de visienota in het vooruitzicht stelde.
  10. Omdat expertise en ervaring initieel niet altijd aanwezig zal zijn bij lokale onroerenderfgoeddiensten, en ook niet verwacht kan worden dat zij deze ontwikkelen voor alle thema’s of niches, heroriënteert het agentschap zich verder als ondersteunende partner en kenniscentrum voor de lokale besturen. Het agentschap faciliteert interactie tussen de lokale spelers, zorgt voor kennisoverdracht en - uitwisseling, en voorziet in coaching en feedback.

Hoe verloopt de concrete uitwerking?

In 2021 en 2022 vertaalden we in overleg met de lokale besturen de Visienota Lokaal Onroerenderfgoedbeleid door naar regelgeving. Die trad grotendeels in werking op 1 januari 2023. De wijzigingen voor intergemeentelijke onroerenderfgoeddiensten krijgen pas uitwerking vanaf 1 januari 2026, al stappen ook zij nu al mee in de vernieuwde processen en samenwerking. Je leest er alles over op de pagina over de huidige regelgeving.
De concepten uit de visienota en de regelgeving krijgen ook doorvertaling naar de dagelijkse werking. Zo zijn er nieuwe ondersteunende IT-toepassingen nodig voor de lokale besturen, vergen verschillende processen en samenwerkingsvormen een grondige hertekening en wordt de coachende en ondersteunende rol voor het agentschap scherp gesteld. Meer daarover lees je op de pagina  over de toekomstige dagelijkse praktijk.