Implementatie van het eindrapport

De minister bevoegd voor Onroerend Erfgoed schaart zich achter de gedragen voorstellen die de werkgroepen formuleerden in hun eindrapport. De principes en keuzes zijn helder. Je kan ze nalezen in de startnota over de implementatie:

Samen met de vertegenwoordigers van de lokale besturen werken we in 2021 en 2022 aan de aanpassing van de bestaande regelgeving en processen:

  • Aanpassingen van het Onroerenderfgoeddecreet en -besluit moeten de nieuwe principes uit de visienota mogelijk maken. Het agentschap werkte ondertussen een ontwerp van decreet uit. De wijzigingen aan het Onroerenderfgoedbesluit liggen nu op de tekentafel.
  • Er zijn nieuwe ondersteunende toepassingen nodig voor de lokale besturen.
  • Bestaande processen zullen grondig hertekend moeten worden.
  • De coachende en ondersteunende rol voor het agentschap moet scherp gesteld worden.

   

Dit werken we samen verder uit, opgedeeld in een aantal thema’s. We sommen de belangrijkste thema’s even op:

  1. Om het Vlaamse onroerenderfgoedbeleid voor te bereiden, onderzoeken we de organisatie van een ‘Atrium Onroerend Erfgoed’ waarin alle lokale besturen zijn vertegenwoordigd, naar analogie met de Atria Ruimtelijke Ordening. In een ad-hocwerkgroep bepalen we de methodiek en taakverdeling om het Vlaamse onroerenderfgoedbeleid te kunnen monitoren en evalueren.
  2. Voor de archeologische toevalsvondsten werken we een scenario uit waarbij Vlaanderen de bevoegdheid houdt, maar deze opneemt in samenwerking met lokale besturen, onroerenderfgoedgemeenten en IOED’s (via een samenwerkingsovereenkomst).
  3. De uitgangspunten voor het inventariseren van onroerend erfgoed kregen vorm. Alle lokale besturen kunnen volledig autonoom erfgoedobjecten invoeren en bewerken in de Inventaris Onroerend Erfgoed. Dit kreeg de werktitel Erfgoedportaal. Lokale besturen die willen invoeren in het Erfgoedportaal doorlopen een on-boarding procedure en ondertekenen een gebruikersovereenkomst. Een ad-hocwerkgroep met lokale vertegenwoordigers werkt de on-boardingprocedure en de gebruikersovereenkomst uit. Daarna blijven deze experten actief als klankbordgroep voor verdere inhoudelijke beslissingen en technische ontwikkelingen van het Erfgoedportaal. In functie van de invoer van landschappelijke erfgoedobjecten op het Erfgoedportaal, krijgt de bestaande landschappelijke inventaris een logischere structuur. Er komt een globale Inventaris Landschappelijk Erfgoed die de inventaris houtige beplantingen met erfgoedwaarde, de inventaris van historische tuinen en parken en de landschapselementen uit de Landschapsatlas combineert.
  4. Onroerenderfgoedgemeenten kunnen inventarissen bouwkundig of landschappelijk erfgoed geheel of gedeeltelijk vaststellen. Daartoe dienen een aantal formele aspecten geregeld te worden. Het Erfgoedportaal en het Geoportaal moeten voorzien worden op de centrale ontsluiting. Het overdragen van de vaststellingsbevoegdheid naar het lokaal niveau moet geregeld worden. Erkende onroerenderfgoedgemeenten moeten aan de vastgestelde inventarissen rechtsgevolgen kunnen koppelen en toelatingsplichtige handelingen kunnen bepalen.
    Het agentschap blijft bevoegd voor het vaststellen van grotere gehelen (landschapsatlas en archeologische zones), maar dan meer in een versterkte samenwerking tussen agentschap en lokale besturen.
  5. Voor het beschermen van onroerend erfgoed is het agentschap bevoegd. Bij het begin van een Vlaamse regeerperiode leggen het agentschap en de lokale besturen voortaan samen een voorstel voor aan de minister met de thema’s en een planning. Het aansnijden van elk beschermingsthema gebeurt in nauwe samenwerking tussen Vlaanderen en het lokale bestuursniveau.
  6. De samenwerking op het vlak van handhaving rond onroerend erfgoed wordt versterkt. Daartoe richten we een werkgroep handhaving op binnen het op te richten Atrium Onroerend Erfgoed. We zetten in op pro-actieve controle in functie van efficiëntere handhaving. Het agentschap en de afdeling Handhaving organiseren nieuwe opleidingsmogelijkheden tot gemeentelijk verbalisant. Erkende onroerenderfgoedgemeenten stellen een gemeentelijke verbalisant OE aan. Er wordt verder gewerkt aan een online handhavingsplatform, dat toelaat om alle betrokken partijen nauwer te betrekken bij handhaving.
  7. Voor de erkenning en financiering van onroerenderfgoedgemeenten en IOED’s richten we een ad-hocwerkgroep op met lokale vertegenwoordigers. Ze werken de voorwaarden rond de erkenning en subsidiëring van onroerenderfgoedgemeenten en IOED’s verder uit. Er wordt voorlopig geen invulling gegeven aan de projectmatige financiering die de visienota in het vooruitzicht stelde.
    De financiering van erkende onroerenderfgoedgemeenten en IOED’s focust op een overzichtelijke structurele basisfinanciering: 
    • IOED's ontvangen een basisfinanciering van €120.000 per jaar, mits de gemeenten die lid zijn van de IOED allemaal samen eenzelfde eigen bijdrage voorzien.
    • Kunststeden die erkend zijn als onroerenderfgoedgemeente ontvangen een basisfinanciering van €100.000 per jaar.
    • Andere centrumsteden die erkend zijn als onroerenderfgoedgemeente ontvangen een basisfinanciering van €65.000 per jaar.
    • Andere Vlaamse gemeenten die erkend zijn als onroerenderfgoedgemeente ontvangen een basisfinanciering van €10.000 per jaar.

Alle keuzes en principes vormen de basis voor een vertaling in regelgeving, processen en instrumenten. Alle voorstellen doorlopen de normale regelgevingsprocedures, bestaande uit meerdere goedkeuringen door de Vlaamse Regering en vragen aan diverse adviesinstanties. Houd er dus rekening mee dat wijzigingen nog steeds mogelijk zijn.