Kaders voor archeologisch onderzoek

Archeologisch onderzoek kan opgedeeld worden in drie categorieën:

Verplicht archeologisch onderzoek

In bepaalde gevallen is een bouwheer verplicht om een bekrachtigde archeologienota toe te voegen aan een vergunningsaanvraag. De archeologienota is het resultaat van het archeologisch vooronderzoek van de betrokken percelen. Dit onderzoek bestaat in eerste instantie uit een vooronderzoek zonder ingreep in de bodem. Indien nodig volgt een vooronderzoek met ingreep in de bodem. Dit laatste meldt je vooraf aan het agentschap of, indien van toepassing, aan de erkende onroerenderfgoedgemeente. Zij kunnen de melding weigeren of er voorwaarden aan verbinden.

Na afloop van het archeologisch vooronderzoek dien je de archeologienota ter bekrachtiging in via het digitaal archeologieportaal. Het agentschap of, indien van toepassing, de erkende onroerenderfgoedgemeente weigert of bekrachtigt de nota en koppelt er al dan niet voorwaarden aan vast. Bij weigering moet je een aangepaste archeologienota indienen. De bouwheer voegt het bekrachtigde document bij de vergunningsaanvraag.

Als de archeologienota bepaalt dat er een archeologische opgraving uitgevoerd moet worden, dan meldt je de start van dat onderzoek aan het agentschap en de erkende onroerenderfgoedgemeente. Ten laatste twee maanden na het einde van de opgraving bezorg je het agentschap een archeologierapport met een beknopte beschrijving van de uitgevoerde werken, de resultaten en de verdere aanpak. Binnen de twee jaar na het einde van het onderzoek dien je ook een eindverslag in.

Meer informatie vind je bij het archeologisch traject bij vergunningsaanvragen.

Vrijwillig archeologisch onderzoek

Archeologisch onderzoek met het oog op wetenschappelijke vraagstellingen is onderzoek dat niet wordt opgelegd vanuit een vergunningensysteem. Meestal gaat het initiatief dan uit van een erkend archeoloog die in situ-onderzoek wil doen, vergunningsaanvragers die mogelijk oponthoud willen uitsluiten of een overheid die de beschermingswaarde van een site wil bepalen. Ook onderzoek in het kader van een restauratie kan hier onder vallen, wanneer er geen omgevingsvergunning nodig is voor de restauratiewerken.

Als dit onderzoek de vorm aanneemt van een vooronderzoek met ingreep in de bodem of een opgraving, moet het uitgevoerd worden door een erkend archeoloog. Je vraagt daarvoor toelating aan het agentschap. De zakelijkrechthouder, meestal de grondeigenaar, moet akkoord gaan met de onderzoekstermijnen. Je moet ook garanties kunnen voorleggen over de verantwoordelijkheid bij schade en over de bestemming van vondsten. Het agentschap kan de toelating toekennen, weigeren of er voorwaarden aan verbinden.

Heb je een toelating ontvangen, dan laat je het agentschap weten wanneer het effectieve vooronderzoek met ingreep in de bodem of de opgraving begint. Ten laatste twee maanden na het einde van het veldwerk bezorg je het agentschap een archeologierapport met een beknopte beschrijving van de uitgevoerde werken, de resultaten en de verdere aanpak. Binnen de twee jaar na het einde van het onderzoek dien je het eindverslag in.

Meer informatie vind je bij het archeologisch onderzoek vanuit wetenschappelijke vraagstellingen.

Onderzoek na een toevalsvondst

Iedereen die - op een ander moment dan bij het uitvoeren van een archeologisch vooronderzoek, een archeologische opgraving of het gebruik van een metaaldetector - een vondst doet of spoor vindt waarvan hij vermoedt dat het archeologische erfgoedwaarde heeft, is verplicht daarvan binnen drie dagen aangifte te doen bij het agentschap en de vondst en de vindplaats gedurende 10 dagen te beschermen.

In de praktijk komt dit vooral voor wanneer een bouwheer of aannemer tijdens graafwerken, waaraan geen archeologisch onderzoek diende vooraf te gaan, onverwachts een archeologisch voorwerp, een bijzondere structuur of een merkwaardig spoor in de bodem aantreft. Het agentschap voert het onderzoek uit en kan de termijn van 10 dagen in functie van dit onderzoek verlengen of inkorten. Het agentschap draagt ook de kosten ervan. Duurt het onderzoek langer dan 30 dagen, dan heeft men recht op een schadevergoeding.