Bouwkundig erfgoed in heel Vlaanderen geïnventariseerd

Bouwkundig erfgoed

De Vlaamse minister van Onroerend Erfgoed tekende op 26 april 2024 het ministerieel besluit tot vaststelling van de inventaris van het bouwkundig erfgoed in de provincie West-Vlaanderen. De rechtsgevolgen van dat besluit zijn vanaf 14 mei 2024 van kracht. Hiermee is al het bouwkundig erfgoed in Vlaanderen, goed voor meer dan 75.000 gebouwen en constructies, op dezelfde manier vastgesteld. Voor bouwkundig erfgoed dat waardevol is maar niet beschermd, treden dankzij de vaststelling een interessante set rechtsgevolgen in werking. Alle 300 steden en gemeenten in Vlaanderen krijgen op deze manier dezelfde juridische basis voor een lokaal onroerenderfgoedbeleid.

West-Vlaanderen: de omvangrijkste inventaris als afsluiter

Omdat de Vlaamse inventaris bouwkundig erfgoed 75.000 gebouwen en constructies bevat, gebeurde de vaststelling van die inventaris gefaseerd per provincie. De besluiten voor de provincies Limburg en Antwerpen werden in 2018 en 2019 ondertekend door minister Geert Bourgeois. Minister Matthias Diependaele zette actief verder in op de vaststelling. In 2021 ondertekende hij het vaststellingsbesluit voor Vlaams-Brabant. In 2023 en 2024 zette hij zijn handtekening onder de twee omvangrijkste dossiers: de vaststellingsdossiers van Oost-Vlaanderen en West-Vlaanderen. 

Het kersverse ministerieel besluit van de vaststelling van de inventaris bouwkundig erfgoed in West-Vlaanderen omvat 28.073 bouwkundige objecten. 2.855 objecten worden geschrapt uit de vastgestelde inventaris omdat ze geen erfgoedwaarde meer bezitten door sloop of verbouwingen of omdat het administratieve fouten betrof. 25.218 panden en constructies worden opgenomen in het nieuwe besluit. Voor die panden gelden vanaf 14 mei 2024 de rechtsgevolgen die ook al in de andere provincies van kracht waren.

Rechtsgevolgen van de vastgestelde inventaris: handvaten voor behoud van lokaal bouwkundig erfgoed

De rechtsgevolgen die gelden voor de panden en constructies in de vastgestelde inventaris bieden handvaten voor het behoud van en de zorg voor het lokale bouwkundig erfgoed. Zo kan een eigenaar van een pand een afwijking vragen van de normen voor energieprestatie en binnenklimaat als dat nodig is om de erfgoedwaarde van het pand in stand te houden. Gebouwen opgenomen in de inventaris van het bouwkundig erfgoed, zijn vrijgesteld van bepaalde eisen uit de renovatieverplichting voor residentiële gebouwen die op 1 januari 2023 inging. Zonevreemde gebouwen kunnen gemakkelijker een nieuwe functie krijgen. Bij sociale woningen met erfgoedwaarde wordt renovatie gestimuleerd door afwijkingen op het prijsplafond. Opdat nieuwe eigenaars de rechtsgevolgen vernemen, moet elke akte of overeenkomst bij eigendomsoverdracht vermelden dat het goed is opgenomen in de vastgestelde inventaris. Bovendien moet de akte of overeenkomst ook de rechtsgevolgen vermelden.  

Voor lokale overheden biedt de vaststelling een unieke kans om sloop van lokaal waardevol erfgoed te voorkomen. Voor al het vastgesteld bouwkundig erfgoed, hoe klein ook, is een omgevingsvergunning nodig voor sloop. Dat is een unieke uitzondering op de vrijstelling van vergunning die normaal gezien geldt voor de afbraak van vrijstaande bouwwerken of constructies. Bij de behandeling van zo’n sloopaanvraag voor vastgesteld bouwkundig erfgoed, speelt de erfgoedwaarde een belangrijke rol. De vergunningverlenende overheid heeft de plicht in haar beslissing duidelijk te motiveren hoe ze met de erfgoedwaarden heeft rekening gehouden. Voor administratieve overheden geldt ten slotte ook de zorg- en motiveringsplicht. Een gemeente, een OCMW, een overheidsdienst, de provincie of een andere administratieve overheid moet voor alle werken of activiteiten die de overheid zelf uitvoert of waarvoor het de opdracht geeft, onderzoeken of ze een directe impact hebben op het vastgestelde erfgoed. Daarenboven moet die overheid motiveren welke maatregelen er genomen zijn om aan de zorgplicht te voldoen.

 

Via het openbaar onderzoek naar een meer correcte inventaris

Het openbaar onderzoek in West-Vlaanderen vond plaats van 1 april tot en met 30 mei 2023 en leverde 297 bezwaarschriften op, met opmerkingen over 560 goederen. Bij elk van de provinciale vaststellingsprocedures werd zo’n openbaar onderzoek georganiseerd, zodat iedereen opmerkingen en bezwaren kon indienen op de gegevens waarmee het bouwkundig erfgoed werd vastgesteld. In Limburg en Oost-Vlaanderen kwamen telkens een 100-tal reacties binnen. In Antwerpen bijna 200, voor Vlaams-Brabant 250. Elk van die bezwaren en opmerkingen werd grondig bekeken, behandeld en verwerkt in de vastgestelde inventaris.

Iedereen kan alle ingediende opmerkingen, bezwaren en adviezen samen met de behandeling ervan nalezen in een bijlage bij de verschillende besluiten, die ontsloten zijn op de besluitendatabank van het agentschap Onroerend Erfgoed. Elk besluit omvat het document ‘behandeling adviezen bezwaren’ als download onderaan de pagina. Bij het vaststellingsbesluit van West-Vlaanderen is dat een document van 500 pagina’s.  

Van groot belang was de actieve en intensieve medewerking die de steden, gemeenten en intergemeentelijke diensten hebben geboden bij de voorbereiding van de openbare onderzoeken voor elke provincie. Voor elk van de 300 steden en gemeenten in Vlaanderen keek een Vlaamse en een lokale ambtenaar de administratieve gegevens van de inventaris bouwkundig erfgoed na. Op die manier werden vele duizenden adressen, afbakeningen en erfgoedkenmerken en erfgoedwaarden opnieuw geëvalueerd en waar nodig gecorrigeerd. 

 

Steden en gemeenten schrijven mee aan de inventaris bouwkundig erfgoed in Vlaanderen

75.000 goederen in Vlaanderen die op dezelfde manier zijn opgenomen in de vastgestelde inventaris bouwkundig erfgoed. Is de inventaris daarmee afgewerkt en compleet? Helemaal niet. Hoewel de bevoegde overheden al bijna zestig jaar inventariseren, registreren en actualiseren, is deze inventaris niet af. Door nieuwe inzichten of door bijkomend onderzoek en doordat het erfgoed zelf ook evolueert, is de inventaris nooit volledig of afgerond, maar is ze continu in evolutie en wordt ze geactualiseerd en aangevuld.

De centrale overheid, eerst Belgisch, later Vlaams, schrijft sinds eind jaren 1960 onafgebroken aan deze inventaris. Sinds 2011 kregen ook een aantal voortrekkers onder de steden en gemeenten de kans hun inventarisprojecten van bouwkundig erfgoed toe te voegen. Dankzij de Visienota Lokaal Onroerend Erfgoedbeleid, waarin minister Diependaele meer bevoegdheden toevertrouwt aan lokale besturen, schakelt het inventariseren in Vlaanderen een versnelling hoger. Elke gemeente is welkom om via de Inventaris Onroerend Erfgoed haar eigen inventarissen bouwkundig en landschappelijk erfgoed te beheren. Elke gemeente kan nieuw erfgoed toevoegen of de bestaande inventaris aanpassen. Bovendien kunnen erkende onroerenderfgoedgemeenten zelf de inventarissen van bouwkundig en landschappelijk erfgoed op hun grondgebied vaststellen, een nieuwe bevoegdheid die de minister via een aanpassing van het Onroerenderfgoeddecreet en -besluit mogelijk maakte.