Edgard Goedleven (1938-2018): Afscheid van een pionier

Vorige week vernamen we met droefheid het plotse overlijden van Edgard Goedleven. Edgard stond van in de begindagen tot aan zijn pensioen in 2003 aan het hoofd van de afdeling Monumenten en Landschappen. Ook daarbuiten was hij uiterst actief in de sector. De erfgoedwereld verliest een monument.

Wanneer we vandaag naar de onroerenderfgoedzorg kijken, met haar diversiteit, haar wetgeving en haar vele organisaties en verenigingen, is het goed om weten dat aan de oorsprong van dit alles één man staat: Edgard Goedleven. Edgard leerde de monumenten- en landschapszorg, zoals dat destijds heette, in 1968 kennen op het kabinet van minister Frans Van Mechelen. Daar was hij mee verantwoordelijk voor de aankoop door de overheid van de Landcommanderij Alden Biesen en het Paleis op de Meir. 

In 1972 was Edgard de geknipte man om de eerste Rijksdienst voor Monumenten- en Landschapszorg uit de grond te stampen. En ook al veranderde die dienst al eens van naam, Goedleven zou er nooit meer weggaan. Dertig jaar lang nam hij de leiding op zich van de overheidsdienst die het onroerend erfgoed inventariseerde, het beschermingsbeleid uitzette en de restauratiebudgetten beheerde. 

Eén van Goedlevens belangrijkste verwezenlijkingen was het cruciale Monumentenjaar 1975. Daarin kreeg de nog jonge rijksdienst de kans om de beschermingspolitiek grondig te hertekenen. De focus verruimde zich van de grote monumenten naar erfgoed groot en klein. Goedleven introduceerde de kleinere panden, de zogenaamde architectura minor, in de monumentenzorg, startte met een uitgebreide inventarisatie, bouwde een nieuw decreet op, en schonk nieuwe vakgebieden het leven. Het Monumentenjaar 1975 veroorzaakte een schokeffect op wetgevend, financieel en organisatorisch vlak. Hier legde Goedleven de basis van de onroerenderfgoedzorg die we vandaag nog steeds kennen. Het baanbrekende decreet tot bescherming van monumenten, stads- en dorpsgezichten uit 1976 hield decennialang stand. 

Datzelfde Monumentenjaar 1975 was ook de start van een tijdschrift. Een tijdschrift dat aanvankelijk slechts tijdelijk zou verschijnen, maar zo noodzakelijk bleek dat het al gauw permanente vorm kreeg onder de naam M75+. Wat in 1980 dan weer omgedoopt werd tot het meer dan bekende, en vandaag nog steeds succesvolle M&L. Edgard Goedleven was meer dan twintig jaar lang de gedreven voorzitter van dit instituut van de erfgoedsector, en schreef zelf talrijke bijdragen. Hij was een geïnspireerd onderzoeker en auteur, waarvan we ons lijvige boeken herinneren over onder meer de Koninklijke serres van Laken, het Brusselse Martelarenplein en het Hotel Errera. 

Goedleven begreep als geen ander dat monumenten- en landschapszorg niet zomaar een administratieve bezigheid is, maar daarentegen een dagelijks contact met de materie vraagt. En hij bewees dat ambtenaren wel degelijk een verschil kunnen maken. Hij richtte binnen zijn administratie verschillende vakgroepen op, en spoorde zijn mensen aan zich te specialiseren en erop uit te trekken. Dat deed hij zelf immers ook. Voor al zijn verwezenlijkingen tijdens de diensturen (de Werelderfgoedstatus voor de begijnhoven en belforten, de beveiliging van het Lam Gods, de bescherming van het Zoerselbos, …), waren er evenveel mijlpalen in zijn vrije tijd. Edgard Goedleven ademde erfgoedzorg, en engageerde zich dan ook intensief voor talloze verenigingen tot behoud van diverse soorten erfgoed. Zo was hij stichtend lid of beheerder van onder andere de Vereniging voor het bevorderen van het Belgisch Trekpaard, de Stichting Vlaams Erfgoed (nu Herita), de vzw Het Vlaamse Orgel, en de Koning Boudewijnstichting. Hij was zeer begaan met de Parkabdij in Heverlee en de scheepswerf van Baasrode, en met de restauratie en digitale registratie van de authentieke klank van talloze historische kerkorgels. Die uitgebreide ervaring op het terrein maakte hem op de werkvloer een uitstekend financier en organisator. 

Iemand omschreef Edgard Goedleven ooit als volgt: “Iemand die zowel in zijn vrije tijd als tijdens de diensturen met hetzelfde bezig is: ongedurig werken aan de promotie van het erfgoed in zijn brede zin. Werken, vergaderen, nota’s maken, intern en extern lobbyen, creatieve oplossingen uitdokteren, artikels en boeken schrijven, koffie drinken, verregaande bereidheid tot mobiliteit en plaatsbezoek…” Dat is ook hoe zijn medewerkers zich Edgard herinneren. Een gepassioneerd man die urenlang kon vertellen, wiens deur altijd openstond, en die gewaardeerd werd door zijn personeel. 

Namens alle personeelsleden van het agentschap Onroerend Erfgoed bieden wij onze deelneming aan zijn echtgenote, familie en vrienden aan.