Toekenning projectsubsidies archeologisch syntheseonderzoek 2022

Archeologie

Net als voorgaande jaren konden archeologische bedrijven, lokale besturen, universiteiten en andere onderzoekers een aanvraag indienen voor een projectsubsidie syntheseonderzoek archeologie. Er werden in 2022 in totaal acht aanvraagdossiers ingediend. Zes projectvoorstellen ontvangen een subsidie.

Een onafhankelijke achtkoppige jury (3 buitenlandse experten (Nederland, Frankrijk, Verenigd Koninkrijk), 3 experten afgevaardigd door de VCOE en twee experten afgevaardigd door het agentschap Onroerend Erfgoed) heeft de ingediende projectvoorstellen één voor één beoordeeld op basis van de door het ministerieel besluit verduidelijkte beoordelingscriteria en kwam na overleg tot een gedragen rangschikking. De zes best gerangschikte projectvoorstellen kunnen gefinancierd worden met het budget dat door de Vlaamse Regering voorzien is voor deze projectsubsidie. Drie projectvoorstellen zijn gefocust op de protohistorie/metaaltijden, een periode die de vorige jaargangen onderbelicht bleef.

Volgende projecten ontvangen een subsidie:

Vrije Universiteit Brussel: ALIMENT - Animals and Livestock provisioning in the modern town: Analyse en synthese van 17de tot 19de-eeuwse dierlijke resten uit stedelijke context in Vlaanderen.

Tussen de 16e en de 19e eeuw deden er zich in Noordwest-Europa een aantal ingrijpende socio-economische veranderingen voor. De regio kende een sterke bevolkingsaangroei, waarbij vooral de stedelijke centra te maken kregen met de inwijking van grote aantallen arbeiders. Parallel aan deze demografische groei, ontwikkelde zich in de steden een nieuwe, kapitaalkrachtige middenklasse die nauw verbonden was met de opkomst van de nijverheid. Een gevolg van deze maatschappelijke omwentelingen was dat de vraag naar voedsel binnen de steden sterk toenam. Dit leidde tot veranderingen in de manier waarop landbouwproducten werden geproduceerd op het platteland. Om aan de groeiende vraag te voldoen werden een reeks innovaties doorgevoerd om de voedselproductie op te drijven, waaronder de ingebruikname van nieuwe gewassen en rotatiesystemen binnen de akkerbouw, de vervanging van rund door paard als het belangrijkste trekdier, het stallen en bijvoederen van vee en de introductie van nieuwe diersoorten en productievere veedier-rassen. Deze evoluties zijn gerelateerd aan wat in de historische literatuur wordt omschreven als de “agrarische revolutie”. Traditioneel gingen historici ervan uit dat de belangrijkste vernieuwingen binnen de voedselproductie zich binnen een vrij korte periode voordeden, parallel aan de industriële revolutie. Uit dit perspectief van een eenmalige breuk ontstond echter de neiging om veranderingen van vóór de tweede helft van de 18e eeuw te relativeren. De tegenstanders van dit model zien de agrarische (r)evolutie daarentegen eerder als een gradueel proces dat zeker al in de 16e eeuw van start ging. Hoewel deze problematiek tot hiertoe voornamelijk vanuit schriftelijke bronnen is benaderd, kan archeologisch onderzoek een belangrijke bijdrage leveren in dit debat. Met name studies van dierlijke resten, die een directe archeologische aanwijzing vormen voor historische veeteeltpraktijken, bieden een onafhankelijk referentiekader. Zo wijst archeozoölogisch onderzoek erop dat bepaalde vernieuwingen in de veeteelt, zoals het verschijnen van nieuwe, veredelde veedier-rassen, mogelijk al in de 16e eeuw plaatsvonden. Daarnaast kunnen bredere archeozoölogische syntheses ook diachrone evoluties en patronen in het relatieve belang van bepaalde diersoorten aan het licht brengen. Desondanks blijven de mechanismen en timing van deze modernisatie-processen, hun effect op de stedelijke voedselvoorziening en eventuele regionale verschillen hierin, slecht gekend.

In Vlaanderen is er nog maar weinig specifiek onderzoek gedaan rond dit thema. Hoewel er een aanzienlijke hoeveelheid vroegmoderne archeozoölogische informatie voorhanden is, is veel van deze data moeilijk toegankelijk en ontbreekt het aan overzichtsstudies. De 18e en 19e eeuw, een potentieel revolutionaire periode op agrarisch gebied, is bovendien nog bijzonder slecht gekend op archeozoölogisch vlak. Het ALIMENT-project (Animals and Livestock provisioning in the ModErN Town) beoogt, via een synthese van 17e tot 19e-eeuwse stedelijke archeozoölogische data, een deel van deze achterstand weg te werken.

Katholieke Universiteit Leuven: Besiect ende besmet – De pathogene synthese van een leprozerie tegenover andere middeleeuwse begraafplaatsen in Vlaanderen.

Sinds de start van de coronacrisis in 2020 maken pathogenen, besmettingen, en quarantainemaatregelen deel uit van ons dagelijks leven. We beseffen sindsdien des te meer dat wetenschappelijk onderzoek naar het ontstaan, verspreiding en ziektepatronen van pathogenen of ziektekiemen een essentiële maatschappelijke rol vervult. Dit geldt eveneens voor het onderzoek naar overdraagbare ziekten en epidemieën in het verleden, waarbinnen archeologie een onmisbare rol vervult. De studie van pathogenen via het oud-DNA – DNA afkomstig uit archeologisch materiaal – is internationaal al bijzonder inzichtrijk en waardevol gebleken maar blijft in Vlaanderen vooralsnog onbekend terrein. Nochtans kent Vlaanderen een groot potentieel binnen dit onderzoeksveld. Zo creëerde de ontdekking van de laatmiddeleeuwse leprozerie in Sint-Jan (Ieper) in 2019-2020 onmiddellijk internationale belangstelling onder academici, archeologen, erfgoedvrijwilligers en het brede publiek. De vele goed bewaarde skeletten maken de Hooge Siecken tot een uitzonderlijke mogelijkheid om innovatief toponderzoek rond het ‘oud-DNA van pathogenen’ in Vlaanderen uit te voeren. Kennis van de aanwezigheid van pathogenen op andere begraafplaatsen uit eenzelfde regio en tijdsperiode is daarbij weliswaar onontbeerlijk. Hiertoe dient de recente opgraving van het laatmiddeleeuws kerkhof van de Sint-Niklaasparochie in het centrum van Ieper als belangrijke opportuniteit. Door onderzoek op beide Ieperse sites te combineren met een bijkomende focus op pathogenen bij skeletten uit het laatmiddeleeuwse Sint-Truiden en het Merovingische grafveld in Koksijde, zal de aanwezigheid van pathogenen op skeletten uit middeleeuwse begraafplaatsen in Vlaanderen in kaart worden gebracht. Met deze allereerste synthese van oud-DNA van pathogenen zal dit project de Vlaamse archeologische sector nieuwe impulsen geven met internationale weerklank. Dergelijk archeologisch onderzoek rond epidemieën en pathogenen zal eveneens het brede publiek sterk aanspreken omwille van de concrete maatschappelijke relevantie. Nauwe participatie van erfgoedvrijwilligers alsook een uitgebreid communicatieprogramma, inclusief museale ontsluiting, zijn daarom essentiële doelstellingen binnen dit project.

LAReS bvba: Een archeologisch perspectief op de evolutie van de houtbouw. Fase 2. Provincies Limburg, Vlaams Brabant en het zuidelijke deel van Antwerpen.

In 2019 startte de eerste fase van een onderzoek naar de evolutie van de houtbouw in Vlaanderen in de periode vanaf het neolithicum tot en met de volle middeleeuwen voor een gedeelte van de Kempen. Dit onderzoek is afgerond. Dit nieuwe onderzoeksvoorstel gaat met dezelfde methodologie een grotere regio archeologisch ontsluiten met name het zuidelijke deel van de provincie Antwerps en de volledige provincies Limburg en Vlaams-Brabant. Als de huisplattegronden in deze regio op een gelijkaardige manier worden onderzocht, geanalyseerd en in catalogusvorm gepresenteerd, levert dit een bijzonder waardevol instrument op dat bij de rapportage van toekomstige opgravingen een grote meerwaarde zal vormen. Bovendien zal dit onderzoek een uitgebreide dataset produceren die gecombineerd kan worden met de gegevens uit de Antwerpse Kempen. Samen zullen deze gegevens de basis vormen voor een diepgaande analyse van de diachrone evolutie van bewoning in verschillende landschappelijke contexten.

Archeo The Loop vzw: Een veld vol kuilen. De late bronstijd in Sint-Denijs-Westrem – The Loop: multidisciplinaire studie van de archeologische dataset binnen de regionale en chronologische context.

Tijdens het langlopende archeologische onderzoek op The Loop (Sint-Denijs-Westrem, Gent) zijn bij verschillende campagnes in de noordwestelijke tot westelijke zone van het ontwikkelingsgebied binnen een uitgestrekt areaal ruwweg een 100-tal gelijkaardige structuren aangetroffen uit de metaaltijden. Het gaat om grotere en kleinere kuilen die voornamelijk rond zijn in het vlak met een doorgaans vlakke bodem. Deze bevinden zich in weinig dense clusters of schijnbaar geïsoleerd verspreid over een ongeveer 7ha groot gebied. De beschikbare aardewerkdateringen en schaarse radiokoolstof-dateringen wijzen vooral op een datering in de late bronstijd. Gelijktijdige nederzettingssporen lijken grotendeels te ontbreken. De kuilen lijken niet op de gekende funeraire structuren uit deze periode, en het vondstmateriaal wijst meer op een nederzettingscontext. Een functionele interpretatie van de kuilen blijft op heden eerder vaag. Het doel van dit syntheseonderzoek is dan ook deze problematiek aan te pakken. Algemeen gesteld is het de bedoeling om het kennispotentieel van de grote zone van kuilen uit de late bronstijd (in de brede zin) op The Loop te lichten door herverwerking en uniformisering van de archeologische dataset van de diverse opgravingen. Dit houdt eveneens het uitvoeren van doorgedreven materiaalstudies en waar mogelijk bijkomend natuurwetenschappelijk onderzoek (inclusief bijkomende radiokoolstofdateringen) in. Ten slotte beslaat het ook het synthetiseren van deze nieuwe informatie en plaatsen ervan binnen een breder kader om zo ook bij te dragen tot nieuwe inzichten in de nederzettingsstructuur tijdens de late bronstijd in zandig Vlaanderen. Tegelijkertijd vormt dit ook een pioniersonderzoek binnen de studie van de metaaltijden in Vlaanderen op gebied van de deelstudie rond petrografisch onderzoek op het aardewerk in kader van herkomstanalyse, op gebied van de deelstudie rond gebruiksanalyse en herkomststudie van de natuursteen, en op gebied van de deelstudie rond bewerkte lithische materialen. Het is de bedoeling van The Loop een referentiesite te maken op gebied van (dergelijke kuilen uit) de late bronstijd.

Vlaams Erfgoed Centrum: Potten, productie en prehistorische gemeenschappen. Een studie naar aardewerk uit de Metaaltijden in de Rupelstreek en Klein-Brabant.

Aardewerk vormt op vrijwel elke vindplaats uit de Metaaltijden de belangrijkste vondstcategorie. Voor het grotere publiek vormt het aardewerk, en dan zeker de complete recipiënten, tastbare en zichtbare aanwijzingen voor menselijke aanwezigheid in een streek. Voor onderzoekers die werken met archeologie uit de Metaaltijden is deze vondstcategorie onmisbaar, als ‘tool’ om vindplaatsen te dateren en als manier om de werking van samenlevingen te reconstrueren. Hoewel het belang van een gedegen studie naar het aardewerk uit de Metaaltijden evident lijkt, ontbreekt in Vlaanderen het grotere overzicht voor deze vondstgroep. Gegevens die in recente jaren verzameld zijn, zijn sterk versnipperd en archeologen maken noodgedwongen gebruik van aardewerkoverzichten die zijn opgesteld voor andere regio’s. Hierdoor is het op dit moment niet goed mogelijk om bronstijd- en ijzertijdvindplaatsen te dateren en zijn gebiedsspecifieke ontwikkelingen, bijvoorbeeld de invloed vanuit Noord-Frankrijk, nog niet goed gekend. Dit onderzoek richt zich op een syntheseonderzoek naar aardewerk uit de Metaaltijden in de Rupelstreek en Klein-Brabant. Het doel van het onderzoek is om het belang van zowel lokale tradities als (handels)contacten en uitwisselingsnetwerken voor de samenlevingen uit de Metaaltijden te reconstrueren aan de hand van de productie, gebruik en depositie van het aardewerk. Belangrijk is het om bij dergelijke studies te starten vanuit een kleine, afgebakende regio waar kwalitatief en kwantitatief goede gegevens voor handen zijn. De Rupelstreek en Klein-Brabant bieden tezamen deze mogelijkheid. Deze regio vormt ook een contactzone tussen zandig Vlaanderen en de zuidelijker gelegen leemstreek, waardoor de aardewerkensembles veel nieuwe inzichten kunnen geven in (handels)contacten en uitwisselingsnetwerken in Noord-Frankrijk en Zuid-Nederland. Het onderzoek kan als belangrijke bouwsteen fungeren om de kennis in andere regio’s in Vlaanderen in kaart te brengen. De centrale vraagstelling luidt als volgt: Welke ontwikkelingen zijn waarneembaar in de productie, vormentaal en afdanken van het aardewerk uit de Metaaltijden uit de Rupelstreek en Klein-Brabant? Hoe kunnen deze ontwikkelingen verklaard worden in het licht van lokale tradities en (handels)contacten en uitwisselingsnetwerken in de Metaaltijden in de Lage Landen?

Archeologie en Erfgoed: Vroeg La Tène ten westen van Leie en Schelde. Een woelige periode door migratie en klimaatverandering?

De Vroeg La Tène occupatie in het westen van Vlaanderen, ten westen van Leie en Schelde, is weinig gekend ondanks de kenmerkende aanwezigheid van een uitstekende en goed herkenbare chronologische marker, het Marne geïnspireerde aardewerk. De Vroeg La Tène wordt gedateerd tussen 475/450 en 250 v. Chr. (La Tène Ancienne) en hier wordt mogelijk een culturele breuk gesitueerd die zich uit in nieuwe nederzettingssystemen (zie ook het opkomen van de ferme indigène en hoogtenederzettingen) en een veranderend funerair ritueel, mogelijk gelinkt aan een nieuw agrarisch systeem (eventueel te wijten aan veranderende klimatologische omstandigheden). Dit onderzoek wil een overzicht geven van de verschillende vindplaatsen met een Vroeg La Tène bezetting, gaande van nederzettingscontexten tot funeraire sporen. Tot nu toe ontbreekt een dergelijk overzicht.

Met het verkregen overzicht kunnen tendensen duidelijk worden. Deze zullen dan gebruikt worden om verdere onderzoeksvragen en -kaders op te enten. Het geheel aan data zorgt vervolgens voor een verspreidingskaart van sites in deze periode, voor deze regio, waarin onderlinge verbanden kunnen gelegd worden, verwachtingskaarten kunnen gemaakt worden, hiaten kunnen geduid worden. Om zo uiteindelijk tot een nieuw set onderzoeksvragen te komen, specifiek voor deze regio en deze periode. Zo worden de hiaten in de toekomst opgevuld en kan gerichter opgegraven worden. Onderzoeksmethodes, vanaf het bureauonderzoek over het vooronderzoek tot de opgraving, worden gesuggereerd om de problematiek van het waarderen van dit type sites te verhelpen.