De archeologische site in Bazel getuigt van een boeiend kantelmoment in de geschiedenis van de mens: het moment dat de prehistorische jagers-verzamelaars omschakelden naar een bestaan als landbouwer. Nieuw onderzoek toont aan dat de jagers-verzamelaars in Bazel al omstreeks 4850 tot 4500 vóór Christus in contact kwamen met geteeld graan via immigranten, maar dat het ongeveer 1000 jaar duurde voor ze zelf een ‘boerenverstand’ ontwikkelden.

Het wordt wel eens als het slechtste idee ooit omschreven: de omschakeling van het relatief rustige leven als jager-verzamelaar naar het harde bestaan van landbouwer, een proces dat in het Midden-Oosten omstreeks 13.000 jaar geleden aanvatte. Het idee verspreidde zich dan ook eerder langzaam doorheen Europa.

Omstreeks 5000 vóór Christus bereikten de nieuwe ideeën Vlaanderen. Vernieuwers van dienst waren de mensen van de Bandkeramische cultuur, immigranten uit het oosten die zich als kant-en-klare landbouwers op de vruchtbare leembodems van Haspengouw vestigden. Dit was het begin van wat we de ‘nieuwe steentijd’ of het ‘neolithicum’ noemen, in tegenstelling tot de periode van jagen en verzamelen daarvóór, die de midden-steentijd of ‘mesolithicum’ wordt genoemd.

De inheemse jagers van de Vlaamse zandstreek en de Kempen schenen zich eerst weinig aan te trekken van de nieuwe manier van leven in de naburige leemstreek. Terecht wellicht, want in de bossen en rivieren van deze laagvlakte waren er immers vruchten, wild en vis genoeg om zich comfortabel en met afwisseling te voeden. Waarom zou men dat rijke en gevarieerde dieet opgeven voor een beperkt aanbod van enkele gewassen, te verdienen met noeste arbeid op een kleine lap grond?  

De archeologische gegevens tonen dan ook dat het boerenverstand maar héél langzaam veld won bij de opeenvolgende generaties van jagers in de buurt. Vroege contacten tussen beide gemeenschappen blijken slechts uit een beperkt aantal vondsten, zoals de karakteristieke Bandkeramische ‘dissels’ die af en toe in het gebied van de jager-verzamelaars opduiken. Die dissels werden door de Bandkeramische mensen onder andere gebruikt om hout te hakken, en mogelijk dus om terreinen vrij te maken voor de landbouw.

Tekening van een ‘dissel’ gevonden op een mesolithisch site in Bekkevoort.

Dissels werden door de jagers-verzamelaars waarschijnlijk gezien als luxeproducten, statussymbolen die niet veel om het lijf hadden. Maar hier en daar lijkt er toch meer aan de hand te zijn geweest. Op de archeologische site van Bazel-Sluis vonden we daar bewijzen van. De site werd opgegraven bij de aanleg van een sluis in de Schelde, in het overstromingsgebied van Kruibeke naar Bazel tot Rupelmonde.

Tussen 5000 en 4000 vóór Christus was Bazel een plek waar intensief op oerrund, everzwijn en hert werd gejaagd, en waar een breed gamma aan vissoorten werd genuttigd. Daarvan getuigen de vele pijlpunten en andere typische ‘mesolithische’ gebruiksvoorwerpen op deze site. Enkele objecten getuigen ook van contacten met de boerengemeenschappen van de leemstreek, zoals enkele aardewerkscherven van de Bandkeramiekers en latere landbouwgemeenschappen in de leemstreek.

Scherf van een Bandkeramische pot, aangetroffen te Bazel.

Dit is echter niet alles. Uniek voor een mesolithisch site in noordwest-Europa is de vondst van verkoolde graankorrels die aan de hand van radiokoolstofdateringen kunnen geplaatst worden in de periode van 4850 tot 4500 vóór Christus. Daarmee zijn het de oudste graankorrels tot nog toe gevonden op een jager-verzamelaarssite in Noordwest- Europa. Een wat jongere serie graankorrels van de site is gedateerd tussen ca. 4400 en 4000 vóór Christus, een periode waarin ook elders in Europa sporadisch graankorrels in mesolithische contexten worden gevonden.

Een oude, verbrande graankorrel van de site van Bazel: schaal = 1mm.

Gelijktijdig met de jongere graankorrels vonden trouwens nog andere elementen van het ‘boerenpakket’ hun weg naar Bazel, zoals de resten van bijvoorbeeld schapen. Het is dan ook waarschijnlijk dat de mensen van Bazel tussen ca. 4400 en 4000 vóór Christus al de eerste stappen hadden gezet richting een ‘echt’ landbouwersbestaan, met het houden van vee en beperkte akkerbouw.

Schedel van een schaap aangetroffen te Bazel, van ca. 4300 vóór Christus.

Maar wat dan met die oudere graankorrels? Er zijn voor het overige geen aanwijzingen dat de mesolithische ‘Bazelnaren’ actief aan landbouw deden. Fossiele stuifmeelkorrels van deze periode tonen immers de aanwezigheid van een dicht bos, zonder aanduidingen voor de teelt van cultuurgewassen in de omgeving. Het is dan ook waarschijnlijk dat de graankorrels, zoals wellicht ook het ‘exotische’ aardewerk, op de site terecht kwamen via uitwisseling met de zuidelijke landbouwersgemeenschappen.

De site van Bazel-Sluis toont voor de eerste maal dat uitwisselingen voor de mesolithische mensen verder gingen dan het verkrijgen van luxe- of prestigeobjecten, en dat er ook voedsel werd verhandeld. Zo biedt de site een unieke inkijk op het langzame overgangsproces van de jacht-, visvangst- en pluk-economieën van het mesolithicum naar het ‘boerenbedrijf’. Deze idee moest blijkbaar meer dan 1000 jaar insijpelen, om pas na ca. 4000 vóór Christus zeer geleidelijk vaste voet aan de grond te krijgen.

De resultaten van het dateringsonderzoek van de graankorrels van de site van Bazel werden onlangs gepubliceerd in het artikel “The oldest cereals in the coversand area along the North Sea coast of NW Europe, between ca. 4800 and 3500 cal BC, at the wetland site of ‘Bazel-Sluis’ (Belgium)”, in het tijdschrift Journal of Anthropological Archaeology. De tekst is tijdelijk gratis te raadplegen en te downloaden.

Reacties (0)

Reageer op dit artikel