Op vrijdag 7 juli bekrachtigde de Vlaamse Regering het decreet dat het Onroerenderfgoeddecreet wijzigt wat betreft het luik archeologisch onderzoek bij vergunningsplichtige ingrepen in de bodem. Dit decreet werd door enkele Vlaamse parlementsleden ingediend en op 5 juli aangenomen door de plenaire vergadering van het Vlaamse Parlement. Het voert een aantal wijzigingen door aan het Onroerenderfgoeddecreet en het Omgevingsvergunningsdecreet.

Wijzigingen aan het Onroerenderfgoeddecreet

1. Archeologen in dienst van een gemeente of een erkende IOED worden van rechtswege erkend als ze voldoen aan de erkenningsvoorwaarden. De aanduiding als erkend archeoloog geldt zolang de archeoloog in dienst blijft van de gemeente of van de erkende IOED in kwestie.

2. Bouwheren kunnen voortaan gelijktijdig met de ter bekrachtiging ingediende archeologienota hun vergunningsaanvraag indienen bij de vergunningverlenende overheid. Men hoeft de bekrachtiging van de archeologienota dus niet af te wachten om de vergunningsaanvraag in te dienen. De vergunningsaanvrager moet de bekrachtigde archeologienota bezorgen aan de vergunningverlenende overheid vóór het verstrijken van de termijn voor beoordeling van de vergunningsaanvraag. Op die manier zal de procedure sneller en eenvoudiger verlopen.

3. De bestaande vrijstellingen voor de opmaak van een archeologienota worden op een aantal punten aangepast en verduidelijkt:

  • Voor werken binnen het gabarit van bestaande lijninfrastructuur gold reeds een vrijstelling van archeologienota. Er wordt een bijkomende vrijstelling ingevoerd om ook beperkte aanpassingen en uitbreidingen aan de lijninfrastructuur mogelijk te maken buiten het bestaande gabarit. Om geen ongewenste effecten en verstoring van het bodemarchief te creëren, wordt de oppervlakte van de ingreep in de bodem buiten het bestaande gabarit beperkt tot 100 m² binnen een vastgestelde archeologische zone. Buiten een vastgestelde archeologische zone of een voorlopig of definitief beschermde archeologische site geldt een vrijstelling wanneer de lijninfrastructuur waarvoor de omgevingsvergunning wordt aangevraagd meer dan 1000 meter bedraagt en de oppervlakte van de ingreep in de bodem buiten het bestaande gabarit minder dan 1000 m² beslaat.
  • Voortaan moet er geen archeologienota meer opgemaakt worden bij vergunningsaanvragen voor het louter verbouwen of herbouwen van een bestaande constructie, zonder bijkomende ingreep in de bodem of voor de regularisatie van vergunningsplichtige projecten waarbij alle ingrepen in de bodem al zijn uitgevoerd.
  • Een bijkomende vrijstelling geldt voor stedenbouwkundige aanvragen die kaderen in verbeterd bodembeheer en uitsluitend betrekking hebben op een reliëfwijziging in agrarisch gebied, niet gelegen in een archeologische zone of een voorlopig of definitief beschermde archeologische site, bij een afgraving van teelaarde tot 40 cm en de latere toevoeging met dezelfde teelaarde.
  • Bij verkavelingsaanvragen moest reeds een archeologienota toegevoegd worden als de totale oppervlakte van de percelen 300 m² of meer bedraagt als ze in een vastgestelde archeologische zone liggen, en 3000 m² of meer bedraagt als ze buiten een vastgestelde archeologische zone liggen. Een toevoeging verduidelijkt dat er enkel met “de oppervlakte van de terreinen waarop werkzaamheden uitgevoerd worden met het oog op het bouwrijp maken van de verkaveling en de oppervlakte van de kavels die verkocht en verhuurd zullen worden voor meer dan negen jaar, waarop een recht van erfpacht of opstal gevestigd zal worden of waarvoor een van die overdrachtsvormen aangeboden zal worden, zulks met het oog op woningbouw of de oprichting van constructies” rekening gehouden moet worden om te bepalen of een vrijstelling voor opmaak van een archeologienota mogelijk is.
  • Er wordt expliciet opgenomen dat er geen archeologienota opgemaakt moet worden voor het bijstellen van een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, zolang er geen bijkomende ingrepen in de bodem zullen zijn.

4. Eerder bekrachtigde archeologienota’s kunnen worden ingediend als ze betrekking hebben op dezelfde percelen en als er geen bijkomende ingreep in de bodem nodig is. De aanvrager hoeft alleen maar de eerder bekrachtigde archeologienota toe te voegen en aan te tonen dat het daarin opgenomen programma van maatregelen werd uitgevoerd. Als dat programma van maatregelen een archeologische opgraving oplegt, dan moet de aanvrager aantonen dat hij een archeologierapport bij het agentschap heeft ingediend.

Wijzigingen aan het Omgevingsvergunningsdecreet

In het Omgevingsvergunningsdecreet dat de procedureregels bevat voor het behandelen van vergunningsaanvragen, wordt expliciet opgenomen dat er geen vergunning verleend kan worden voor aanvragen waarvoor volgens het Onroerenderfgoeddecreet een archeologienota vereist is, als de bekrachtigde archeologienota niet tijdig aan de vergunningverlenende overheid werd bezorgd.

Inwerkingtreding

Dit decreet treedt in werking vanaf de 10de dag na de publicatie in het Staatsblad. Het wordt met terugwerkende kracht toepasbaar vanaf 1 juni 2017. Wat betekent dit concreet? Vanaf de 10de dag na de publicatie in het Staatsblad zijn de nieuwe bepalingen van toepassing op alle lopende vergunningsprocedures, ongeacht het moment van indiening van de aanvraag. Bovendien bepaalt artikel 10 een bijkomende overgangsmaatregel die stelt dat de nieuwe regels ook van toepassing zijn op vergunningsaanvragen die nog niet volgens het Omgevingsvergunningsdecreet worden behandeld, maar omwille van de gefaseerde inwerkingtreding van dat decreet nog volgens de ‘oude’ VCRO-regels worden behandeld.

Op korte termijn zullen we de teksten over archeologie op de website en in de folders aanpassen aan deze wijzigingen.