In april 1992 startte een meerjarig onderzoeksproject naar het verdwenen laatmiddeleeuwse vissersdorp Walraversijde bij Oostende in samenwerking met de provincie West-Vlaanderen. Sindsdien werd tijdens de jaarlijkse opgravingen ongeveer 2 ha van het voormalige dorpsareaal onderzocht.

Resultaten van het onderzoek

Het onderzoek leverde een grote hoeveelheid nieuw bronnenmateriaal op dat vanuit archeologisch, historisch, landschappelijk als natuurwetenschappelijk perspectief is benaderd. Het gaat om zowel archeologische sporen als materiële resten waarvan een belangrijk deel in organisch materiaal zoals hout, textiel en leder.

Op basis van het archeologisch materiaal is duidelijk dat dit soort maritieme gemeenschappen toegang hadden tot allerlei producten die voor bewoners van het binnenland doorgaans minder toegankelijk waren. Zo zijn in Walraversijde behalve framenten van zogenaamde Spaanse majolica ook bijvoorbeeld resten van granaatappels aangegroffen. Dit verschil heeft te maken met activiteiten die samenhangen met een ligging aan de kust: van visserij tot handel over piraterij, loodsdient en militarie dienst.

Een tweede boeiend aspect van het onderzoek heeft te maken met de ruimtelijke ordening van het dorp die helemaal niet vergelijkbaar is met deze van een klassiek agrarisch-ruraal dorp. Qua nederzettingsstructuur is Walraversijde eerder vergelijkbaar met een stad dan met een klassiek ruraal-agrarisch dorp. Er is bijvoorbeeld geen ruimte voor stallen, tuinen of akkers. De werkomgeving van de (mannelijke) bewoners is duidelijk de zee.

Dat de gemeenschappen aan land hoofdzakelijk bestaan uit vrouwen en kinderen is ook af te leiden uit de materiële resten waaronder zich bijvoorbeeld heel wat speelgoed bevindt. Om een aantal van de te Walraversijde waargenomen fenomenen statistisch hard te maken is bijkomend onderzoek nodig in andere en gelijkaardige rurale milieus.

Ontsluiting

In juni 2000 werd een groot deel hiervan naar het grote publiek ontsloten met de inrichting van een bezoekerscentrum. Naast een reconstructie op ware grootte van 4 laatmiddeleeuwse gebouwen, vind je er ook een opgravingsrecontructie en een site-museum.

Heel wat van de onderzoeksresultaten werden wetenschappelijk gepubliceerd in tussentijdse verslagen en gespecialiseerde publicaties. Een eerste uitgebreide monografie met focus op de opgravingscampagnes van 1992 tot en met 1998 is in voorbereiding.