Rapportage

Archeologisch onderzoek kan opgedeeld worden in twee categorieën: onderzoek dat verplicht is en onderzoek dat vrijwillig wordt uitgevoerd. Bij verplicht archeologisch onderzoek dient een bekrachtigde archeologienota te worden toegevoegd bij de vergunningsaanvraag, voor vrijwillig archeologisch onderzoek is een toelating vereist van het agentschap.

Verplicht archeologisch onderzoek

In bepaalde gevallen is het verplicht om een bekrachtigde archeologienota toe te voegen aan een vergunningsaanvraag. De archeologienota is het resultaat van het archeologisch vooronderzoek van de betrokken percelen. Dit onderzoek bestaat in eerste instantie uit een vooronderzoek zonder ingreep in de bodem. Indien nodig volgt een vooronderzoek met ingreep in de bodem. De erkend archeoloog moet dit vooraf melden aan de erkende onroerenderfgoedgemeente of aan het agentschap. Zij kunnen de melding weigeren of er voorwaarden aan verbinden.

Na afloop van het archeologisch vooronderzoek bezorgt de erkende archeoloog de archeologienota aan het agentschap. Dat weigert of bekrachtigt de nota en koppelt er al dan niet voorwaarden aan vast. Bij weigering moet de erkende archeoloog een aangepaste archeologienota indienen. Het bekrachtigde document voegt de aanvrager bij de vergunningsaanvraag. Als de archeologienota bepaalt dat er een archeologische opgraving uitgevoerd moet worden, dan meldt de erkende archeoloog de start van dat onderzoek aan het agentschap en, desgevallend, de erkende onroerenderfgoedgemeente.

Ten laatste twee maanden na het einde van de opgraving moet de erkende archeoloog een archeologierapport bezorgen met een beknopte beschrijving van de uitgevoerde werken, de resultaten en de verdere aanpak. Binnen de twee jaar na het einde van het onderzoek dient hij ook een eindverslag in, dat hij ook publiceert. Het agentschap ontsluit dit verslag digitaal.

In uitzonderlijke gevallen is het niet mogelijk een vooronderzoek met ingreep in de bodem uit te voeren vooraleer de bouwvergunning wordt toegekend. In dit geval vermeldt de erkende archeoloog in de archeologienota wat al genoteerd kan worden en verwijst hij naar een bijkomende nota die na de bouwvergunning volgt. Nadat de bouwvergunning verleend is (en het gebouw uit het voorbeeld is gesloopt), stelt hij die bijkomende nota op, op basis van een uitgesteld vooronderzoek met ingreep in de bodem. Deze nota moet ook door het agentschap bekrachtigd worden, al dan niet met voorwaarden.

Zie ook: Het archeologisch traject bij vergunningsaanvragen.

Vrijwillig archeologisch onderzoek

Archeologisch onderzoek met het oog op wetenschappelijke vraagstellingen is onderzoek dat niet wordt opgelegd vanuit een vergunningensysteem. Meestal gaat het initiatief dan uit van een erkend archeoloog die in situ-onderzoek wil doen, vergunningsaanvragers die mogelijk oponthoud willen uitsluiten, of een overheid die de beschermingswaarde van een site wil bepalen.

Als dit onderzoek de vorm aanneemt van een vooronderzoek met ingreep in de bodem of een opgraving, moet het uitgevoerd worden door een erkend archeoloog. Die vraagt daarvoor toelating aan het agentschap. Een van de voorwaarden is dat de zakelijkrechthouder (meestal de grondeigenaar) akkoord gaat met de onderzoekstermijnen. Ook moeten er garanties zijn over de verantwoordelijkheid bij schade en over de bestemming van vondsten. Het agentschap kan de toelating toekennen, weigeren of er voorwaarden aan verbinden.

Als de erkende archeoloog een toelating heeft verkregen, dan laat hij het agentschap weten wanneer het effectieve vooronderzoek met ingreep in de bodem of de opgraving begint. Ten laatste twee maanden na het einde van de opgraving moet hij aan het agentschap een archeologierapport bezorgen met een beknopte beschrijving van de uitgevoerde werken, de resultaten en de verdere aanpak. Binnen de twee jaar na het einde van het onderzoek dient de erkende archeoloog een eindverslag in, dat hij ook publiceert. Het agentschap ontsluit dit verslag digitaal.

Zie ook: archeologisch onderzoek vanuit wetenschappelijke vraagstellingen.

Evaluatie

Het agentschap kan erkende archeologen evalueren (artikel 3.5.8 tot en met 3.5.14 van het Onroerenderfgoedbesluit). Daarvoor kan het agentschap:

  • de erkend archeoloog vragen alle documenten die betrekking hebben op de erkenningsvoorwaarden te bezorgen;
  • de erkend archeoloog vragen een toelichting te komen geven;
  • een archeoloog en de door hem of haar gebruikte infrastructuur te bezoeken.

In uitzonderlijke gevallen kan het agentschap overgaan tot schorsing van een erkend archeoloog. Een schorsing duurt maximaal vier maanden en kan door het agentschap worden opgelegd wanneer de archeoloog niet langer aan de erkenningsvoorwaarden voldoet of bij:

  • het niet naleven van het Onroerenderfgoeddecreet, het Onroerenderfgoedbesluit of de Code van de Goede Praktijk voor Archeologie en Metaaldetectie;
  • onvoldoende toezicht op het veldwerk of correcte registratie;
  • het oplopen van een veroordeling voor een misdrijf dat de beroepsethiek als archeoloog aantast;
  • het niet naleven van de opvolgingsvoorwaarden.

De geschorste archeoloog krijgt vervolgens de mogelijkheid te reageren en daarbij oplossingen te formuleren die hem terug in regel stellen. Op basis van de ontvangen reactie beslist het agentschap over het opheffen van de schorsing of het intrekken van de erkenning. Ontvangt het agentschap geen reactie, dan wordt er overgegaan tot intrekking van de erkenning.

De archeoloog kan tegen de intrekking van zijn erkenning beroep aantekenen bij de bevoegde minister.