Welke bewijsstukken zijn er nodig om te motiveren dat alle deelnemende gemeenten akkoord gaan met hun deelname aan de intergemeenteijke onroerenderfgoeddienst?

De intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst moet opgericht zijn volgens het decreet op Intergemeentelijke Samenwerking (IGS). Het is belangrijk voor het agentschap om duidelijkheid te hebben over het akkoord van elke gemeente over de instap in dit intergemeentelijk samenwerkingsverband.

Daarom vragen wij om bij de aanvraag tot erkenning als intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst, de gemeenteraadsbeslissingen toe te voegen waarin de oprichting en toetreding tot de IOED duidelijk werden opgenomen.

Wanneer kan een aanvraag tot erkenning ingediend worden en wanneer kan een samenwerkingsovereenkomst aangegaan worden?

Kunnen na de erkenning van een IOED nog nieuwe gemeenten aansluiten? Wanneer een IOED klein zou willen starten maar op termijn nieuwe gemeenten wil overtuigen om aan te sluiten, klopt het dan dat dit geen probleem is voor de erkenning van de dienst, op voorwaarde dat de nieuw aangesloten gemeentes binnen het gemeenschappelijk erfgoedpakket passen?

Er kunnen inderdaad nieuwe gemeenten later aansluiten bij de IOED, maar dan moet een nieuwe erkenningsaanvraag worden ingediend. Als de IOED subsidies wil ontvangen moet ook de samenwerkingsovereenkomst met het agentschap worden vernieuwd. Het heeft dus wel wat voeten in de aarde om uit te breiden met één of meerdere gemeenten.

Wat zijn de concrete stappen die ondernomen moeten worden bij een uitbreiding van het werkingsgebied? Welke termijnen hangen hieraan vast?

Bij een uitbreiding van het werkingsgebied moet in de eerste plaats een nieuwe erkenningsaanvraag worden ingediend (voor 15 januari). Daarna zal ook de samenwerkingsovereenkomst met het agentschap worden aangepast en moet een nieuwe subsidieaanvraag worden ingediend. De indieningsdatum voor de subsidieaanvraag is vastgesteld op uiterlijk 1 juli, maar de subsidie- en erkenningsaanvraag kunnen ook gelijktijdig worden ingediend.

Deze aanpassingen in de samenwerkingsovereenkomst en de subsidieregeling zijn slechts om de drie jaar mogelijk, namelijk in het eerste en het vierde jaar van de lokale beleids- en beheerscyclus (BBC).

Dit wil bijvoorbeeld zeggen dat voor een uitbreiding van het werkingsgebied van een reeds erkende IOED uit 2016, ten laatste in januari 2017 (4de jaar van de beleidscyclus) een nieuwe erkenning kan worden aangevraagd voor de periode 2017-2020. De bijhorende subsidieaanvraag voor 2018-2020 en de aangepaste samenwerkingsovereenkomst zal dus in oktober 2017 pas kunnen worden goedgekeurd. Het eerste subsidiebedrag wordt dan in 2018 uitgekeerd. Na 2017 is het pas in 2020 mogelijk om een nieuwe samenwerkingsovereenkomst op te starten met het agentschap.

Kan een gemeente overstappen van de ene naar de andere IOED of bij meerdere IOED’s tegelijkertijd aansluiten?

In de regelgeving wordt niet expliciet gesteld dat een gemeente niet in twee of meerdere erkende IOED's kan instappen. Het indienen van een onroerenderfgoedbeleidsplan is voor een IOED verplicht. Dit onroerenderfgoedbeleidsplan stelt een gezamenlijke visie en een gezamenlijk plan van aanpak voorop. Dit beleidsplan is ook integraal en omvat dus de zorg voor zowel het archeologisch erfgoed, als voor de monumenten en de cultuurhistorische landschappen. Als aan deze erkenningsvoorwaarden wordt voldaan, lijkt het onmogelijk om dit binnen twee IOED’s te realiseren met twee verschillende onroerenderfgoedbeleidsplannen, met een integrale visie en plan van aanpak. Een gemeente kan geen twee verschillende visies hebben op het onroerenderfgoedbeleid voor de gemeente. Wanneer de beleidsplannen van de twee IOED's identiek zijn, dan lijkt het opportuun om de twee IOED's te laten samengaan.

Als een gemeente wil overstappen van de ene IOED naar een andere, dan is dat een eigen beslissing van deze gemeente. De gemeente dient dan zelf te bekijken of dit mogelijk is (volgens het statuut van de intergemeentelijke dienst in kwestie) en op welke manier zij dit wil realiseren.

Wat zijn de diplomavereisten voor de gevraagde expertise die als voorwaarde voor een erkenning gesteld wordt in artikel 3.3.2.4° van het Onroerenderfgoeddecreet?

De IOED dient over voldoende expertise te beschikken om het onroerenderfgoedbeleidplan uit te voeren. Er zijn geen bijkomende bepalingen op welke manier deze expertise moet ingevuld worden, daar is de IOED vrij in. De IOED moet wel het integrale karakter van haar werking en de uitvoering van het beleidsplan kunnen garanderen.

Kunnen een regionaal landschap/projectvereniging/… en een IOED ondergebracht worden in 1 constructie? Worden deze dan vrijgesteld van het decreet op intergemeentelijke samenwerking (IGS)?

Een regionaal landschap of projectvereniging kan in aanmerking komen om erkend te worden als IOED, maar de IOED moet het formeel statuut van intergemeentelijk samenwerkingsverband (IGS) hebben. Dit moet duidelijk opgenomen zijn in de statuten. Als ze niet aan deze voorwaarde voldoen, dan is het aanvraagdossier onontvankelijk. Ze worden dus niet vrijgesteld van het decreet op intergemeentelijke samenwerking.

Wordt er ook een (minimale) inbreng verwacht van de leden van het samenwerkingsverband? M.a.w. moeten de deelnemende gemeenten hier financieel toe bijdragen?

Het uitvoeringsbesluit van 16 mei 2014 zegt niets over de wijze van financiering van het intergemeentelijke samenwerkingsverband. Dit is een autonome beslissing van het samenwerkingsverband.

Het onroerend erfgoed binnen de gemeente is eigendom van de gemeente zelf. Heeft het dan zin voor deze gemeente om een erkenning als onroerenderfgoedgemeente aan te vragen?

Een gemeente die erkend wil worden, ontwikkelt een eigen onroerenderfgoedbeleid voor het grondgebied van de gemeente. Dit betekent dat het gemeentebestuur veel belang hecht aan de zorg voor het onroerend erfgoed en daar ook mee wil uitpakken. Dit kan voordelen bieden voor de zichtbaarheid van de gemeente.

Daarnaast neemt een onroerenderfgoedgemeente enkele decretaal bepaalde taken op (Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013):

  • verlenen van welbepaalde toelatingen voor werken aan beschermde onroerend erfgoed;
  • verlenen van bepaalde adviezen voor goederen op de vastgestelde inventaris;
  • ontvangen van meldingen in het kader van het archeologisch traject.

Dit betekent dat de gemeente in deze gevallen geen advies meer moet vragen aan het agentschap en dus ook een grotere vrijheid heeft om deze taken in te vullen.

Een erkende IOED komt in aanmerking voor subsidiëring, een afzonderlijke erkende onroerenderfgoedgemeente niet. Het agentschap Onroerend Erfgoed streeft ernaar om, samen met enkele prioritaire partners, de zorg voor het onroerend erfgoed in Vlaanderen vanzelfsprekend te maken. Het spreekt voor zich dat de lokale besturen, en bij uitstek de erkende onroerenderfgoedgemeenten, als onze prioritaire partners worden beschouwd.

Wat houdt de ondersteuning van de vrijwilligerswerking in?

Een gemeente is vrij om dit zelf in te vullen. Enkele voorbeelden van wat dit kan inhouden: inhoudelijke ondersteuning, financiële ondersteuning, het voorzien van vergaderaccommodatie, logistieke ondersteuning, … Dit kan gaan over kerkfabrieken, heemkundige kringen, Open Monumentendag-comités, …

Mogen dezelfde mensen zowel in het consultatienetwerk als in de adviescommissie zetelen?

Ja, dat kan. Bij het consultatienetwerk denken we eerder aan bepaalde deelgebieden binnen het onroerenderfgoedveld.

Kan een gemeente een bestaande adviesraad gebruiken voor de gevraagde adviesraad die als voorwaarde gesteld wordt in artikel 3.2.1. 5° van het Onroerenderfgoeddecreet?

Dat kan, als de adviesraad de opdracht krijgt van de gemeenteraad om advies te verlenen over onroerend erfgoed én als ze over voldoende expertise beschikt voor de uitvoering van die adviesopdracht.

Kunnen een melding en een toelating voor een niet-stedenbouwkundig werk in een beschermd stads- of dorpsgezicht gelijktijdig behandeld worden door een erkende onroerenderfgoedgemeente?

Er kan inderdaad aan gedacht worden om bij een melding de nodige stukken te laten indienen die nodig zijn voor de  behandeling van een toelatingsaanvraag. Het agentschap is hier echter geen voorstander van.

Dit heeft immers tot gevolg dat voor alle “melders” de verplichtingen over bij te voegen stukken verzwaard worden. Dat is niet de  bedoeling van de "lichtere" procedure voor een melding.

Artikel 6.3.12 van het Onroerenderfgoedbesluit maakt het voor de “melder” enkel onmogelijk om de handelingen vanaf de 20ste dag na de datum van de  melding aan te vatten wanneer het college van burgemeester en schepenen haar/hem vooraf per beveiligde zending op de hoogte brengt dat de  aangemelde handelingen van aard zijn om de wezenlijke eigenschappen van  het beschermde stads- of dorpsgezicht te verstoren. Wanneer het college van burgemeester en schepenen de melding meteen als  toelatingsaanvraag zou behandelen zonder mededeling per beveiligde zending  dat een toelating vereist is, dan wordt de “melder” ook de mogelijkheid ontzegt om zich in rechte te verweren tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen waarbij geoordeeld wordt dat de aangemelde handelingen van aard zijn om de wezenlijke eigenschappen van het  beschermde stads- of dorpsgezicht te verstoren.

In welke jaren kan ik een aanvraag indienen?

Vanaf 2017 is de aanvraag voor de erkenning van een onroerenderfgoedgemeente gebonden aan de lokale beleids- en beheerscyclus (BBC). Er kan slechts om de drie jaar, namelijk in het 1ste en 4de jaar van de BBC, een erkenning aangevraagd worden. Concreet wil dit zeggen:

De beleidsprioriteiten onroerend erfgoed staan op de website van het agentschap. Er werden ook (deel)rapportagecodes voor onroerend erfgoed toegekend. Kunnen er meerdere codes toegekend worden aan één actie?

Ja, dit is mogelijk. De gebruikte codes zijn:

  • OEVBP01: De actie ‘indienen van de erfkenningsaanvraag’ opnemen in de aanpassing van de strategische meerjarenplanning
  • OEVBP02: Beleidsprioriteit 1 (Beleidsvisie)
  • OEVBP03: Beleidsprioriteit 2 (Vrijwilligerswerking)
  • OEVBP04: Beleidsprioriteit 3 (Voorbeeldfunctie)
  • OEVBP05: Beleidsprioriteit 4 (Consultatienetwerk)
  • OEVBP06: Beleidsprioriteit 5 (Register)

Kan er een visitatiecommissie afgevaardigd worden als er nog geen indicatie is via de rapportering, maar bijvoorbeeld op basis van vaststellingen in het register?

Dit is in principe mogelijk. Een visitatiecommissie wordt wel enkel op verzoek van de bevoegd minister samengesteld. Dit kan op basis van vaststellingen in het register van toelatingen, adviezen en meldingen. Uiteraard moeten deze vaststellingen voldoende zwaarwichtig zijn om een evaluatieprocedure op te starten.

Als een onroerenderfgoedgemeente en een IOED op elkaar steunen voor de uitoefening van hun taken, wat gebeurt er dan met de ene als de erkenning van de andere stopt?

Als de erkenning van de ene wordt ingetrokken, zal ook de andere kunnen worden ingetrokken als de IOED of onroerenderfgoedgemeente daardoor niet meer aan de erkenningsvoorwaarden voldoet. Dit vereist wel een uitdrukkelijke intrekking door de bevoegd minister.

Het agentschap moet dan, op uitdrukkelijk verzoek van de minister, zowel voor de erkende IOED als voor de erkende onroerenderfgoedgemeente(n) een evaluatieprocedure opgestart hebben of opstarten.

Het lijkt het beste dat, wanneer een erkende IOED wordt geëvalueerd door een visitatiecommissie, tegelijk de opdracht wordt gegeven om alle aangesloten erkende onroerenderfgoedgemeenten te evalueren. Omgekeerd lijkt het minder noodzakelijk dat wanneer een individuele erkende onroerenderfgoedgemeente wordt geëvalueerd, meteen ook de erkende IOED moet worden geëvalueerd. Dit zijn echter beleidskeuzes die gemaakt moeten worden op het ogenblik dat er onregelmatigheden worden vastgesteld.

Overzicht van de vragen en antwoorden die gesteld werden tijdens de infosessie voor de Vlaamse overheid op 17 februari 2016 in Brussel.

Download hier het overzicht van de vragen en antwoorden die gesteld werden tijdens de infosessie voor de Vlaamse overheid op 17 februari 2016.

Overzicht van de vragen en antwoorden die gesteld werden tijdens de Vlaamse infodagen in de provinciale hoofdsteden (januari-februari 2016).

Download hier het overzicht van de vragen en antwoorden die gesteld werden tijdens de Vlaamse infodagen in de provinciale hoofdsteden (januari-februari 2016). De vragen zijn opgedeeld volgens locatie.

Overzicht van de vragen en antwoorden uit de infosessie voor metaaldetectoristen van 16 januari 2016

Download hier het overzicht van de vragen en antwoorden die gesteld werden tijdens de infosessie voor metaaldetectoristen op 16 januari 2016. De vragen zijn opgedeeld in volgende rubrieken:

  • mijn erkenning
  • de Code van Goede Praktijk
  • handhaving
  • melden van vondsten
  • omgaan met vondsten

Kan het agentschap een sjabloon voor de overeenkomst met de eigenaar ter beschikking stellen?

Voor je als erkend metaaldetectorist een terrein betreedt, heb je de toestemming van de eigenaar nodig. Op vraag van verschillende metaaldetectoristen maakte het agentschap een voorbeeldovereenkomst op die je kan gebruiken om met de grondeigenaar goede afspraken te maken. Je bent niet verplicht dit sjabloon te gebruiken. Het is geen officieel document, geen machtiging of toelating van het agentschap, maar een hulpmiddel.

Je hebt steeds de toestemming van de eigenaar nodig om een terrein te mogen prospecteren. De eigenaar heeft het recht dit te weigeren.

Volgens het Burgerlijk Wetboek is de grondeigenaar ook eigenaar van de vondsten die je op zijn of haar terrein vindt. Die eigendom kan hij of zij echter met een mondelinge of schriftelijke overeenkomst overdragen aan de vinder of een derde persoon. Ook daar kan deze voorbeeldovereenkomst als hulpmiddel dienen.

Metaaldetectievondsten zijn in de eerste plaats eigendom van de grondeigenaar. Welke controle is er dan nog over de artefacten?

De grondeigenaar is inderdaad eigenaar van de vondsten die je op zijn of haar terrein vindt (volgens het Burgerlijk Wetboek). Die eigendom kan hij of zij echter met een mondelinge of schriftelijke overeenkomst overdragen aan de vinder of een derde persoon.

Je moet je dan wel aan het behoudsbeginsel van archeologische ensembles houden. Alle vondsten die je aantreft op een terrein, worden beschouwd als een archeologisch ensemble dat steeds in zijn geheel moet bewaard worden. De eigenaar kan dus niet de stukken die hem interesseren voor zich houden en de rest overdragen aan de vinder of een derde. Bovendien is de eigenaar of de persoon aan wie de eigendom werd overgedragen, verantwoordelijk voor het in goede staat en duurzaam bewaren van het ensemble.

Er is een uitzondering op het eigenaarschap wanneer iemand zijn of haar eigendom op de vondst kan bewijzen. Bijvoorbeeld: je vindt als detectorist een verloren trouwring: de ring is nog altijd eigendom van degene die hem in bezit had toen hij verloren werd. De eigenaar van de ring moet kunnen aantonen dat de ring van hem of haar is (door een naam gegraveerd in de ring, een foto of een aankoopbewijs).

Heb ik als erkend metaaldetectorist het recht om terreinen te betreden? Kan ik met mijn erkenning de eigenaar verplichten mij toe te laten op zijn of haar eigendom?

Neen. Je erkenning is geen machtiging en verleent je geen enkele autoriteit. Jouw erkenning dient enkel om je te kunnen legitimeren bij een controle. Voor je een terrein betreedt, heb je steeds de toestemming van de eigenaar nodig. De eigenaar heeft het recht dit te weigeren. 

Kan ik aanspraak maken op de toekomstige premie voor buitensporige opgravingskosten of een archeologiefonds als ik mijn stedenbouwkundige vergunningsaanvraag indien volgens de vroegere archeologieregelgeving?

Het Onroerenderfgoeddecreet zegt dat een archeologisch solidariteitsfonds zijn leden vergoedt voor een deel van de kosten die gepaard gaan met archeologische opgravingen die worden uitgevoerd in overeenstemming met afdeling 4 van hoofdstuk 5 van het Onroerenderfgoeddecreet. Dat betekent dat enkel opgravingen in aanmerking komen die voortkomen uit het nieuwe archeologische traject bij bouwwerken uit het Onroerenderfgoeddecreet. Het decreet zegt verder dat de premie voor buitensporige opgravingskosten geldt voor de buitensporige directe kost van verplicht uit te voeren archeologische opgravingen zoals opgenomen in de bekrachtigde archeologienota of de bekrachtigde nota. Ook hier kan dus enkel voor opgravingen die verplicht zijn door een bekrachtigde archeologienota of nota, met toepassing van de nieuwe regelgeving, een premie verkregen worden.

Richtlijn: Enkel opgravingen die verplicht worden via een bekrachtigde archeologienota of nota kunnen aanspraak maken op een tegemoetkoming van een archeologiefonds of op een premie voor buitensporige opgravingskosten. De stedenbouwkundige vergunningsaanvraag moet dus ingediend zijn met toepassing van het archeologietraject uit het Onroerenderfgoeddecreet.

Welke regelgeving volgt het archeologisch onderzoek dat ik laat uitvoeren, de vroegere of de huidige regelgeving?

Archeologisch vooronderzoek (prospecties) en archeologische opgravingen kunnen verlopen volgens de oude regelgeving (Archeologiedecreet) of volgens de huidige regelgeving (Onroerenderfgoeddecreet). Welke regelgeving van toepassing is, hangt enerzijds af van het moment waarop de prospectie- of opgravingsvergunning wordt aangevraagd, en anderzijds van het kader waarbinnen het onderzoek verplicht werd.

Richtlijn 1: Vooronderzoek dat gebeurt met het oog op het bekomen van een bekrachtigde archeologienota wordt uitgevoerd overeenkomstig het Onroerenderfgoeddecreet, door een erkende archeoloog volgens de Code van Goede Praktijk.  Hetzelfde geldt voor opgravingen die volgen uit een bekrachtigde archeologienota.

Richtlijn 2: Prospecties (vooronderzoek) en opgravingen waarvoor de archeologievergunning werd aangevraagd voor 1 april 2016, worden uitgevoerd overeenkomstig het Archeologiedecreet, inclusief Minimumnormen en bijzondere voorwaarden bij de vergunning. De Code van Goede Praktijk is hierbij niet van toepassing en wordt evenmin opgelegd via de bijzondere voorwaarden bij de opgravingsvergunning.

Richtlijn 3: Vooronderzoek en opgravingen die opgenomen zijn als voorwaarde in een stedenbouwkundige vergunning, aangevraagd voor 1 juni 2016 volgens de oude regelgeving, verlopen volgens de vroegere regelgeving (Archeologiedecreet). Dat betekent: met een afzonderlijke prospectie- of opgravingsvergunning, door een archeoloog die niet erkend moet zijn en volgens de Minimumnormen. Dit geldt ook wanneer het onderzoek pas uitgevoerd wordt na de inwerkingtreding van de nieuwe regelgeving.

Richtlijn 4: Archeologievergunningen voor prospectie of opgraving, verleend in toepassing van het Archeologiedecreet, kunnen verlengd worden (in geval van overmacht) of overgedragen aan een andere vergunninghouder (die voldoet aan de kwalificatievereisten uit het Archeologiebesluit en de personeelsvereisten uit de bijzondere voorwaarden bij de vergunning), via een addendum bij de oorspronkelijke vergunning. Dit moet door de archeoloog tijdig aangevraagd worden bij het agentschap.

Zie voor deze vragen ook het stroomschema over de overgangsbepalingen.

Welke regelgeving moet mijn aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning volgen, het Archeologiedecreet of Onroerenderfgoeddecreet?

De datum van indiening van de vergunningsaanvraag bepaalt welke regelgeving je moet volgen. Wel zijn een aantal overgangsbepalingen voorzien die ernaar streven om initiatiefnemers en archeologen die een vergunning hebben verkregen, deze vergunning te laten uitvoeren onder de modaliteiten zoals ze vergund werd. Op die manier wordt vermeden dat er tijdens de rit plots aan andere modaliteiten moet voldaan worden (een overstap van het “oude systeem” naar het “nieuwe systeem”). Voor initiatiefnemers gaat het om een stedenbouwkundige vergunning, voor archeologen om een prospectie- of opgravingsvergunning.

Richtlijn 1: Aanvragen voor stedenbouwkundige vergunningen of verkavelingsvergunningen, ingediend na 1 juni 2016, volgen integraal de procedures zoals beschreven in hoofdstuk 5 van het Onroerenderfgoeddecreet.

Richtlijn 2: Aanvragen voor stedenbouwkundige vergunningen of verkavelingsvergunningen, ingediend voor 1 juni 2016, volgen integraal de procedures zoals beschreven in het Archeologiedecreet, inclusief het archeologisch onderzoek dat verplicht wordt via de voorwaarden in deze vergunning. Er is dus geen archeologienota nodig, en het eventuele archeologische onderzoek dat opgelegd wordt in de vergunning moet niet door een erkende archeoloog uitgevoerd worden.

Richtlijn 3: Preadviezen, MER’s, RUP’s en gelijkaardige vormen geen grond om gebruik te maken van de overgangsmaatregelen. Preadviezen en vooraf bezorgde bijzondere voorwaarden bij prospectie- of opgravingsvergunningen zijn informeel en hebben daardoor geen rechtskracht. Ze kunnen deze dus ook niet behouden.

Richtlijn 4: Bestekken, gunningen, wedstrijdreglementen, raamcontracten en dergelijke meer zijn evenmin een rechtsgrond om gebruik te maken van de overgangsmaatregelen.

Richtlijn 5: Goedgekeurde restauratiepremies en bijhorende bestekken zijn ook geen rechtsgrond om gebruik te maken van de overgangsmaatregelen, tenzij het archeologisch onderzoek ook opgenomen is als voorwaarde bij een stedenbouwkundige vergunning voor de restauratiewerken, en deze stedenbouwkundige vergunning is aangevraagd voor 1 juni 2016.

Je hebt als initiatiefnemer van een project al eerder, proactief, een vooronderzoek laten uitvoeren volgens de vroegere archeologieregelgeving. Nu moet je een bekrachtigde archeologienota indienen. Hoe ga je daarmee om?

Je bent als bouwheer van plan om na 1 juni 2016 een stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning aan te vragen. Omdat je wist dat je gevat zou zijn door de criteria uit artikel 5.4.1 of 5.4.2 van het Onroerenderfgoeddecreet en je graag zekerheid had op voorhand, heb je al langer geleden een prospectie laten uitvoeren. Die gebeurde nog onder het vroegere Archeologiedecreet. Je hebt een rapport van dit onderzoek in handen, maar moet nu een bekrachtigde archeologienota bij je vergunningsaanvraag voegen. Het rapport dat je in handen hebt, voldoet niet aan de vereisten van een archeologienota.

Je laat daarom de resultaten van het vroeger uitgevoerde onderzoek door een erkend archeoloog omvormen tot een archeologienota. Dat doet hij op basis van een bureauonderzoek van het bestaande rapport.

Richtlijn 1: Het is niet mogelijk om rapporten van archeologische vooronderzoeken, opgesteld overeenkomstig het vroegere Archeologiedecreet en de Minimumnormen, ongewijzigd in te dienen als archeologienota.

Richtlijn 2: Wanneer je toch al proactief een vooronderzoek hebt laten uitvoeren voorafgaand aan de inwerkingtreding van de nieuwe regelgeving, dan is dat gebeurd overeenkomstig het Archeologiedecreet, inclusief de rapportering over het vooronderzoek. Je laat nu, door een erkend archeoloog, een archeologienota opstellen door middel van een bureauonderzoek van de rapportering over het eerder uitgevoerde vooronderzoek. Dat bureauonderzoek en de archeologienota moeten voldoen aan de Code van Goede Praktijk en uitgevoerd worden door een erkende archeoloog. Het initiële vooronderzoek (zoals proefsleuven) moet dat niet. Dat moet niet opnieuw gebeuren en het bestaande rapport moet ook niet omgevormd worden naar de nieuwe normen. De erkende archeoloog gebruikt het bestaande rapport wel als informatiebron in het kader van zijn bureaustudie, die leidt tot de opmaak van een archeologienota.  Ook als het terrein al proactief is opgegraven, maakt de erkende archeoloog een archeologienota op door middel van een bureauonderzoek. In die bureaustudie zal hij aan de hand van het opgravingsrapport, opgesteld volgens de vroegere regelgeving, aantonen dat het terrein al is opgegraven, en dat er geen verdere maatregelen nodig zijn. Een brief waarin de vrijgave van het terrein staat, voldoet niet aan de vereisten die de wetgeving aan een archeologienota stelt.

Welk diploma heb je nodig voor een archeologische opgraving of prospectie?

Ik heb een diploma archeologie behaald aan onderwijsinstelling buiten de Vlaamse gemeenschap.  Kan ik dan wel een vergunning verkrijgen voor  een archeologische opgraving, een archeologische prospectie met ingreep in de bodem of voor het gebruik van detectoren?

Om hiervoor een vergunning te verkrijgen, moet je  houder zijn van één van de volgende diploma’s:
a) licentiaat of doctor in de geschiedenis met specialisatie in de archeologie;
b) licentiaat of doctor in de oudheidkunde en kunstgeschiedenis met specialisatie in de archeologie;
c) licentiaat, master of doctor in de archeologie en kunstwetenschappen met specialisatie in de archeologie;

d) licentiaat, master of doctor in de archeologie;

e) een diploma of getuigschrift dat bij of krachtens een wet, decreet, Europese verordening, of internationale overeenkomst als gelijkwaardig met één van de diploma’s vermeld in a) tot en met d) is erkend. De bevoegdheid voor het (niveau)gelijkwaardig verklaren van een buitenlands diploma ligt bij Naric-Vlaanderen, het Agentschap voor Kwaliteitszorg in Onderwijs en Vorming (www.naric.be).

Heb je een diploma archeologie behaald aan een universiteit in de Franse gemeenschap van België, dan heb je uiteraard geen gelijkwaardigheidsattest nodig.

Heb je je diploma archeologie  in Nederland behaald? Door artikel 2 en artikel 3 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 17 september 2010 ( houdende vaststelling van de academische gelijkwaardigheid van Nederlandse diploma's van het hoger onderwijs) zijn de Nederlandse en Vlaamse graad van “bachelor”, “master” of “doctor” gelijkwaardig.   Je vergunningaanvraag kan dus niet geweigerd worden op basis van de kwalificatievoorwaarden.

Mijn woning staat in de inventaris. Is dit dan beschermd?

We maken een onderscheid tussen de inventaris, de vastgestelde inventaris en bescherming. Opname in de inventaris en de vastgestelde inventaris betekent niet dat je eigendom beschermd is. In de databank beschermingen kan je nagaan of je eigendom beschermd is of niet. Staat je eigendom in de vastgestelde inventaris bouwkundig erfgoed? Dan heeft dit vier rechtsgevolgen waar je rekening mee moet houden. Meer informatie krijg je in de brochure 'Erfgoed in mijn straat'.

Zijn er premies voor beschermd erfgoed?

De Vlaamse overheid moedigt kleine en grotere werken voor beschermd erfgoed aan en heeft verschillende premies ter beschikking. Daarnaast is er ook de federale maatregel van de belastingvermindering en zijn er EPB-vrijstellingen mogelijk.

Mag ik een monument verbouwen?

Verbouwen kan als de wijziging geen afbreuk doet aan de waardevolle elementen die tot de bescherming hebben geleid. Deze waarden staan beschreven in het beschermingsbesluit en kan je online raadplegen in de databank beschermingen. Daarnaast moet de ingreep ook in overeenstemming zijn met de wetgeving op ruimtelijke ordening. Meestal heb je voor een verbouwing een stedenbouwkundige vergunning nodig. Is dat niet het geval, dan vraag je toelating aan  het agentschap Onroerend Erfgoed. Dat geldt ook voor kleinere ingrepen. Om alles vlotter te laten verlopen, kun je beter op voorhand advies vragen aan het agentschap Onroerend Erfgoed.

Mag ik een woning uit de vastgestelde inventaris verbouwen?

Staat je pand in de vastgestelde inventaris? Dan geldt zoals bij elke andere renovatie of grondige verbouwing dat je vooraf een stedenbouwkundige vergunning bij je gemeente aanvraagt. Voor sloop heb je eveneens een vergunning nodig van je gemeente. Het lokale bestuur zal nagaan wat de aanwezige erfgoedwaarden zijn en wat de impact va nde werkzaamheden op deze erfgoedwaarden zijn. Op basis van deze afweging neemt zij een beslissing.

Is het interieur ooit beschermd?

Een (gebouwd) monument is steeds beschermd samen met het ‘nagelvaste’ interieur, zoals stucwerk, een schouwmantel, een lambrisering of een trap. Andere roerende goederen zijn alleen mee beschermd als ze expliciet opgenomen zijn in het beschermingsbesluit.

Waar vind ik een beschermd pand of perceel terug?

Je kan het beschermde erfgoed en de bijhorende beschermingsbesluiten raadplegen op https://beschermingen.onroerenderfgoed.be. Via een simpele zoekopdracht kan je nagaan of het perceel tot een bescherming behoort en het besluit bekijken. Een overzicht van al het beschermde erfgoed in Vlaanderen krijg je op de online kaart https://geo.onroerenderfgoed.be.

Hoe weet je of erfgoed (voorlopig) beschermd is?

Of erfgoed voorlopig beschermd wordt, kom je te weten tijdens het openbaar onderzoek, of via een aangetekende brief, wanneer je de eigenaar, vruchtgebruiker, opstalhouder of erfpachter ervan bent. Zowel de voorlopige als de definitieve bescherming verschijnt ook in het Belgisch Staatsblad. Bovendien kan je het perceel of pand opzoeken in de beschermingsdatabank van het agentschap Onroerend Erfgoed. Daar vind je een overzicht van duizenden beschermingsbesluiten.

Heb je inspraak bij een bescherming?

Inspraak is ingebakken in het systeem van beschermen. Bij de voorlopige bescherming krijg je de kans om opmerkingen en bezwaren te formuleren. Dit doe je binnen een welbepaalde termijn bij het agentschap. Deze deadline varieert naargelang het over een archeologische zone, monument, stads- of dorpsgezicht, landschap of varend erfgoed gaat. Wanneer je opmerkingen terecht zijn, neemt de minister deze mee in overweging wanneer hij of zij het erfgoed (eventueel) definitief beschermt.