In Overgangsmaatregelen archeologie

Kan ik aanspraak maken op de toekomstige premie voor buitensporige opgravingskosten of een archeologiefonds als ik mijn stedenbouwkundige vergunningsaanvraag indien volgens de vroegere archeologieregelgeving?

Het Onroerenderfgoeddecreet zegt dat een archeologisch solidariteitsfonds zijn leden vergoedt voor een deel van de kosten die gepaard gaan met archeologische opgravingen die worden uitgevoerd in overeenstemming met afdeling 4 van hoofdstuk 5 van het Onroerenderfgoeddecreet. Dat betekent dat enkel opgravingen in aanmerking komen die voortkomen uit het nieuwe archeologische traject bij bouwwerken uit het Onroerenderfgoeddecreet. Het decreet zegt verder dat de premie voor buitensporige opgravingskosten geldt voor de buitensporige directe kost van verplicht uit te voeren archeologische opgravingen zoals opgenomen in de bekrachtigde archeologienota of de bekrachtigde nota. Ook hier kan dus enkel voor opgravingen die verplicht zijn door een bekrachtigde archeologienota of nota, met toepassing van de nieuwe regelgeving, een premie verkregen worden.

Richtlijn: Enkel opgravingen die verplicht worden via een bekrachtigde archeologienota of nota kunnen aanspraak maken op een tegemoetkoming van een archeologiefonds of op een premie voor buitensporige opgravingskosten. De stedenbouwkundige vergunningsaanvraag moet dus ingediend zijn met toepassing van het archeologietraject uit het Onroerenderfgoeddecreet.

Welke regelgeving volgt het archeologisch onderzoek dat ik laat uitvoeren, de vroegere of de huidige regelgeving?

Archeologisch vooronderzoek (prospecties) en archeologische opgravingen kunnen verlopen volgens de oude regelgeving (Archeologiedecreet) of volgens de huidige regelgeving (Onroerenderfgoeddecreet). Welke regelgeving van toepassing is, hangt enerzijds af van het moment waarop de prospectie- of opgravingsvergunning wordt aangevraagd, en anderzijds van het kader waarbinnen het onderzoek verplicht werd.

Richtlijn 1: Vooronderzoek dat gebeurt met het oog op het bekomen van een bekrachtigde archeologienota wordt uitgevoerd overeenkomstig het Onroerenderfgoeddecreet, door een erkende archeoloog volgens de Code van Goede Praktijk.  Hetzelfde geldt voor opgravingen die volgen uit een bekrachtigde archeologienota.

Richtlijn 2: Prospecties (vooronderzoek) en opgravingen waarvoor de archeologievergunning werd aangevraagd voor 1 april 2016, worden uitgevoerd overeenkomstig het Archeologiedecreet, inclusief Minimumnormen en bijzondere voorwaarden bij de vergunning. De Code van Goede Praktijk is hierbij niet van toepassing en wordt evenmin opgelegd via de bijzondere voorwaarden bij de opgravingsvergunning.

Richtlijn 3: Vooronderzoek en opgravingen die opgenomen zijn als voorwaarde in een stedenbouwkundige vergunning, aangevraagd voor 1 juni 2016 volgens de oude regelgeving, verlopen volgens de vroegere regelgeving (Archeologiedecreet). Dat betekent: met een afzonderlijke prospectie- of opgravingsvergunning, door een archeoloog die niet erkend moet zijn en volgens de Minimumnormen. Dit geldt ook wanneer het onderzoek pas uitgevoerd wordt na de inwerkingtreding van de nieuwe regelgeving.

Richtlijn 4: Archeologievergunningen voor prospectie of opgraving, verleend in toepassing van het Archeologiedecreet, kunnen verlengd worden (in geval van overmacht) of overgedragen aan een andere vergunninghouder (die voldoet aan de kwalificatievereisten uit het Archeologiebesluit en de personeelsvereisten uit de bijzondere voorwaarden bij de vergunning), via een addendum bij de oorspronkelijke vergunning. Dit moet door de archeoloog tijdig aangevraagd worden bij het agentschap.

Zie voor deze vragen ook het stroomschema over de overgangsbepalingen.

Welke regelgeving moet mijn aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning volgen, het Archeologiedecreet of Onroerenderfgoeddecreet?

De datum van indiening van de vergunningsaanvraag bepaalt welke regelgeving je moet volgen. Wel zijn een aantal overgangsbepalingen voorzien die ernaar streven om initiatiefnemers en archeologen die een vergunning hebben verkregen, deze vergunning te laten uitvoeren onder de modaliteiten zoals ze vergund werd. Op die manier wordt vermeden dat er tijdens de rit plots aan andere modaliteiten moet voldaan worden (een overstap van het “oude systeem” naar het “nieuwe systeem”). Voor initiatiefnemers gaat het om een stedenbouwkundige vergunning, voor archeologen om een prospectie- of opgravingsvergunning.

Richtlijn 1: Aanvragen voor stedenbouwkundige vergunningen of verkavelingsvergunningen, ingediend na 1 juni 2016, volgen integraal de procedures zoals beschreven in hoofdstuk 5 van het Onroerenderfgoeddecreet.

Richtlijn 2: Aanvragen voor stedenbouwkundige vergunningen of verkavelingsvergunningen, ingediend voor 1 juni 2016, volgen integraal de procedures zoals beschreven in het Archeologiedecreet, inclusief het archeologisch onderzoek dat verplicht wordt via de voorwaarden in deze vergunning. Er is dus geen archeologienota nodig, en het eventuele archeologische onderzoek dat opgelegd wordt in de vergunning moet niet door een erkende archeoloog uitgevoerd worden.

Richtlijn 3: Preadviezen, MER’s, RUP’s en gelijkaardige vormen geen grond om gebruik te maken van de overgangsmaatregelen. Preadviezen en vooraf bezorgde bijzondere voorwaarden bij prospectie- of opgravingsvergunningen zijn informeel en hebben daardoor geen rechtskracht. Ze kunnen deze dus ook niet behouden.

Richtlijn 4: Bestekken, gunningen, wedstrijdreglementen, raamcontracten en dergelijke meer zijn evenmin een rechtsgrond om gebruik te maken van de overgangsmaatregelen.

Richtlijn 5: Goedgekeurde restauratiepremies en bijhorende bestekken zijn ook geen rechtsgrond om gebruik te maken van de overgangsmaatregelen, tenzij het archeologisch onderzoek ook opgenomen is als voorwaarde bij een stedenbouwkundige vergunning voor de restauratiewerken, en deze stedenbouwkundige vergunning is aangevraagd voor 1 juni 2016.

Je hebt als initiatiefnemer van een project al eerder, proactief, een vooronderzoek laten uitvoeren volgens de vroegere archeologieregelgeving. Nu moet je een bekrachtigde archeologienota indienen. Hoe ga je daarmee om?

Je bent als bouwheer van plan om na 1 juni 2016 een stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning aan te vragen. Omdat je wist dat je gevat zou zijn door de criteria uit artikel 5.4.1 of 5.4.2 van het Onroerenderfgoeddecreet en je graag zekerheid had op voorhand, heb je al langer geleden een prospectie laten uitvoeren. Die gebeurde nog onder het vroegere Archeologiedecreet. Je hebt een rapport van dit onderzoek in handen, maar moet nu een bekrachtigde archeologienota bij je vergunningsaanvraag voegen. Het rapport dat je in handen hebt, voldoet niet aan de vereisten van een archeologienota.

Je laat daarom de resultaten van het vroeger uitgevoerde onderzoek door een erkend archeoloog omvormen tot een archeologienota. Dat doet hij op basis van een bureauonderzoek van het bestaande rapport.

Richtlijn 1: Het is niet mogelijk om rapporten van archeologische vooronderzoeken, opgesteld overeenkomstig het vroegere Archeologiedecreet en de Minimumnormen, ongewijzigd in te dienen als archeologienota.

Richtlijn 2: Wanneer je toch al proactief een vooronderzoek hebt laten uitvoeren voorafgaand aan de inwerkingtreding van de nieuwe regelgeving, dan is dat gebeurd overeenkomstig het Archeologiedecreet, inclusief de rapportering over het vooronderzoek. Je laat nu, door een erkend archeoloog, een archeologienota opstellen door middel van een bureauonderzoek van de rapportering over het eerder uitgevoerde vooronderzoek. Dat bureauonderzoek en de archeologienota moeten voldoen aan de Code van Goede Praktijk en uitgevoerd worden door een erkende archeoloog. Het initiële vooronderzoek (zoals proefsleuven) moet dat niet. Dat moet niet opnieuw gebeuren en het bestaande rapport moet ook niet omgevormd worden naar de nieuwe normen. De erkende archeoloog gebruikt het bestaande rapport wel als informatiebron in het kader van zijn bureaustudie, die leidt tot de opmaak van een archeologienota.  Ook als het terrein al proactief is opgegraven, maakt de erkende archeoloog een archeologienota op door middel van een bureauonderzoek. In die bureaustudie zal hij aan de hand van het opgravingsrapport, opgesteld volgens de vroegere regelgeving, aantonen dat het terrein al is opgegraven, en dat er geen verdere maatregelen nodig zijn. Een brief waarin de vrijgave van het terrein staat, voldoet niet aan de vereisten die de wetgeving aan een archeologienota stelt.