Projecten 2021

Wie een bouwproject, verkaveling of andere infrastructuurwerken wil opstarten, moet soms eerst een archeologisch onderzoek laten uitvoeren. De resultaten van deze opgravingen blijven logischerwijze beperkt tot het niveau van de vindplaats, maar missen zo het bredere plaatje en de diepgang om tot echt nieuwe kennis over het verleden te komen. En daar zit het publiek natuurlijk net op te wachten. Extra onderzoek vraagt echter extra middelen, die niet op de bouwheer, projectontwikkelaar of landbouwer kunnen verhaald worden. Daarom reikt Vlaanderen sinds 2018 jaarlijks projectsubsidies uit voor archeologisch syntheseonderzoek.

Deze 7 projecten uit 2021 ontvangen een subsidie:

Wijs met Erfgoed BV: De kleine stad in de middeleeuwen. Een Malta-blik op stedelijkheid, stadsmorfologie en -landschap. Casus Deinze.

Vanaf de 10de eeuw ontwikkelden de Lage Landen zich tot één van de meest verstedelijkte gebieden van Europa. Dit verstedelijkingsproces kreeg tot nu toe voornamelijk aandacht vanuit historisch perspectief en geschreven bronnen. Overzichtswerken waarin vanuit archeologische hoek de stadsontwikkeling wordt gekaderd en ook materiële bronnen mee in overweging genomen worden, zijn eerder uitzonderlijk. Voor Vlaanderen gaat het dan vooral over de grote steden zoals Brugge, Gent en Antwerpen. Steden met deze omvang waren in de middeleeuwen echter atypisch. De hoge verstedelijkingsgraad was vooral het resultaat van een dichte netwerk van kleine tot heel kleine steden. Van de meer dan 50 steden in het Nederlandstalige deel van het graafschap Vlaanderen in de 15de eeuw hadden enkel Gent en Brugge - met respectievelijk 60.000 en 50.000 inwoners - een grotere omvang dan 10.000 inwoners. Steden met meer dan 5.000 inwoners, zoals Ieper, Sluis, Duinkerke, Kortrijk of Oudenaarde, waren al evenmin in de meerderheid.

Een geïntegreerd archeologisch-historisch-landschappelijk onderzoek naar de opkomst en middeleeuwse ontwikkeling van de kleine Vlaamse steden kwam tot nu toe echter nauwelijks aan bod. Een uitzondering hierop vormt het onderzoek naar de stad Aalst. Voor sommige andere kleine steden is, o.m. door de toename aan onderzoek sinds het in voege treden van het nieuwe decreet in 2016, heel wat extra informatie beschikbaar, maar ontbreekt een globale studie. Momenteel blijft er dus een belangrijk aspect van de Vlaamse, middeleeuwse stedelijke ontwikkeling onderbelicht. Hierin wil dit onderzoek aan de hand van de casus Deinze verandering in brengen.

 

BIAX Consult: Houten voorwerpen uit Vlaanderen van de Steentijd tot de Nieuwe tijd.

Sinds de implementatie van het Verdrag van Malta is in Vlaanderen een grote hoeveelheid gegevens verzameld over houten gebruiksvoorwerpen uit archeologische contexten. Deze vormen een uiterst waardevolle bron voor archeologisch onderzoek. Hout was één van de belangrijkste grondstoffen in de prehistorie, maar ook gedurende het grootste gedeelte van de historische periode. Zowel voor gebouwen en andere grote constructies zoals waterputten, als voor het vervaardigen van voertuigen, meubels, gebruiksvoorwerpen en wapens werd hout gebruikt. Hout is zeer vergankelijk, maar kan in zuurstofloze omstandigheden eeuwenlang in de bodem bewaard blijven. Waterverzadigde houten voorwerpen zijn uitermate kwetsbaar. Complete houten gebruiksvoorwerpen zijn zeldzaam en de informatiewaarde voor de interpretatie van een vindplaats of houtgebruik in een bepaalde periode of streek, is dan ook bijzonder hoog. Deze vondsten zijn cruciaal voor een betrouwbaar beeld van de vroegere materiële cultuur.

Traditioneel wordt binnen de archeologische sector veel aandacht besteed aan aardewerk- en metaalvondsten, waardoor deze materiaalcategorieën relatief goed zijn vertegenwoordigd in type-chronologieën en synthetiserend onderzoek. Dit geldt echter niet voor houten artefacten uit archeologische contexten. Informatie hierover is versnipperd en niet alle informatie is even goed ontsloten, waardoor vergelijkend onderzoek bijzonder tijdrovend is.

Om de volle wetenschappelijke potentie uit de reeds uitgevoerde onderzoeken te verkrijgen, is het noodzakelijk om de gegevens van alle tot nu toe onderzochte houten artefacten uit Malta-onderzoeken te verzamelen en op een gestandaardiseerde manier te documenteren. Dit alles met behulp van de nieuwste technologieën die vandaag de dag voorhanden zijn, zoals 3D-scanning en fotogrammetrie. Vervolgens kan deze gegevensverzameling als één geheel worden geanalyseerd. De grote meerwaarde van het synthetiserend onderzoek is dat hiermee de huidige kennisstand en -lacunes over de spreiding van houten voorwerpen, de functie ervan en het houtgebruik in Vlaanderen overzichtelijk in kaart worden gebracht en de gegevens via een gebruiksvriendelijke database op duurzame wijze beschikbaar worden gesteld.

 

Archeo The Loop vzw: Kuilen vol wol? Op zoek naar een functionele interpretatie van de artisanale kuilen uit zandig Vlaanderen tijdens de volle middeleeuwen (900-1250). Inventarisatie, typologie, ecologie: een integrale en multidisciplinaire aanpak.

Sinds de Malta-archeologie is er een heuse ‘boom’ in de landelijke archeologie van de volle middeleeuwen. Waar voorheen slechts sporadisch volmiddeleeuwse boerderij-erven werden aangetroffen, zien we nu een grote toename in het aantal volmiddeleeuwse sites, zeker in zandig Vlaanderen.

Met het blootleggen van deze erven, komt ook een specifiek type kuilen aan het licht die onderling sterk gelijkaardige morfologische kenmerken vertonen. Het gaat over de zogenaamde ‘artisanale kuilen’, die helemaal in de begindagen dat ze werden aangetroffen door de onderste sterk organische laag ook wel ‘mestkuilen’ werden genoemd. De afmetingen en de vorm variëren, maar de specifieke gelaagdheid komt systematisch voor: een onderste opvullingspakket dat gelaagd en organisch aandoet, met daarboven een gelaagd pakket dat wijst op het dempen van de kuil. Dergelijke kuilen komen voor op Sint-Denijs-Westrem – The Loop, Sijsele – Stakendijke, Maldegem – Ringbaan en vele andere vindplaatsen.

Deze omvangrijke sporen lijken aangelegd voor een vrij specifiek doel. Tot op heden is er echter weinig idee rond de functionele interpretatie van deze ondertussen typische structuren op de volmiddeleeuwse nederzettingen van zandig Vlaanderen. Het idee bestaat al langer dat het gaat om kuilen met een specifiek artisanale toepassing, alleen is niet duidelijk welke.

De welvaart van middeleeuws Vlaanderen is sterk verweven met de lakennijverheid. Een hypothese is dat de ‘artisanale kuilen’ structuren zijn waarin één of meerdere processen plaats vonden in het productieproces van het omzetten van wol tot laken tot textiel. Eén van de meest plausibele hypothesen is dat het zou kunnen gaan om kuilen voor het vollen van wol. Het doel van het vollen was om de stof te laten krimpen met behoud van het vervilte oppervlak. Daarbij werd het laken in een container (bijvoorbeeld een kuip) in warm water gelegd en betrappeld. Door zemelen, boter, vet, vollersaarde of urine toe te voegen, werd het proces versneld.

Met dit syntheseonderzoek willen we nagaan of dit effectief vollerskuilen zijn en indien niet, wat dan wel. Ze werden misschien gebruikt in een andere stap van het productieproces van wol tot textiel (bv. wassen)? Of ze hebben helemaal niets te maken met de textielnijverheid en zijn dan wellicht een interessante bron om andere (artisanale) activiteiten te begrijpen. Potentieel wordt daarmee ook een beter inzicht toegelaten in de activiteiten op het volmiddeleeuwse erf en bij uitbreiding ook de rol die deze boerderijen innemen in het complexe proces van de Vlaamse lakenindustrie en de verschuiving van een landelijke naar stedelijk georganiseerde productie.

 

Universiteit Gent: Hoeves, dorpen en kouters. Een studie naar evoluties in de middeleeuwse nederzettings- en landschapsstructuur tussen Schelde en Dender.

Beweren dat de huidige nederzettingsstructuur, bewoningsvormen en landschapsinrichting in Vlaanderen teruggaan op een oudere, historische situatie is een open deur intrappen. Voor het historische Binnen-Vlaanderen is algemeen aanvaard dat de middeleeuwse periode hierin bepalend was. Toen werden de algemene nederzettings- en landschapsstructuur en de locatie en vorm van individuele nederzettingen vastgelegd. Deze leven door tot op de dag van vandaag.

Dit historisch-geografisch model stelt meer bepaald dat de 7de-9de eeuw een eerste periode van stabilisatie zou zijn. Vanaf dan verdween volgens dit model het verspreide, zwervende vroegmiddeleeuwse nederzettingssysteem gradueel ten voordele van meer plaatsvaste bewoning. Dit had uiteraard ook gevolgen voor de landschapsstructuur en –indeling, die vanaf dan ook stabieler zouden worden. De 10de-13de eeuw ziet vervolgens een grote en uiteindelijk bepalende intensivering van deze trends. Dit is in verband te brengen met twee fenomenen: de dorpsvorming en de ‘Grote Ontginningen’.

Archeologisch onderzoek kon omwille van de beperkte omvang van de dataset lange tijd weinig bijdragen aan deze debatten. Dankzij de introductie van de Malta-archeologie en haar implementatie in de archeologische praktijk, is de dataset echter zeer sterk aangegroeid. Dit heeft de laatste jaren dan ook toegelaten om meer inzicht te verwerven in de aard en spreiding van de landelijke bewoning, zowel in de kustvlakte als in Binnen-Vlaanderen.

Dit project wil de problematiek van de middeleeuwse landschaps- en nederzettingsvorming bestuderen, vertrekkende vanuit een archeologisch en regionaal perspectief. Ze wil hierbij verder gaan dan enkel een vergelijking of contextualisering van de archeologische data en analyse met het historisch-geografisch model. Het is duidelijk dat de archeologische data aangevuld en samen bestudeerd moeten worden met historische en toponymische gegevens om zo holistisch mogelijk de middeleeuwse landschaps- en nederzettingsevoluties te bestuderen. Het is essentieel dat de problematiek van landschaps- en nederzettingsevolutie voor de middeleeuwen op een multidisciplinaire manier wordt benaderd, via de integratie van archeologische, toponymische, cartografische en historische bronnen.

 

Studiebureau Archeologie bv: IJzerproductie in de Antwerpse Kempen.

Metalen vondsten (in de vorm van slakkig materiaal of voorwerpen uit ijzer, koperlegeringen of lood) worden geregeld opgediept op archeologische sites in Vlaanderen, maar deze vormen vaak een ‘vergeten’ categorie die gedoemd is tot een stille dood in depots, ondanks het feit dat ze een licht kunnen werpen op de zaken van alledag en ons een kijkvenster op het dagelijkse leven uit het verleden kunnen bieden.

Resten van metaalproductie worden gewoonlijk in grotere hoeveelheden dan de eigenlijke metalen artefacten aangetroffen. Dit is grotendeels toe te schrijven aan de continue cyclus van fabricage, gebruik, depositie, recyclage en opnieuw gebruik waarin metalen voorwerpen gewoonlijk belanden. Toch duidt het alom voorkomen van metaalslakken op archeologische vindplaatsen - in zeer kleine of grote hoeveelheden - op het feit dat metaalproductie van enig belang was in de (pre-)historische samenlevingen in onze gebieden. In tegenstelling tot de universele interesse in andere materiaalcategorieën en occasioneel de finale metalen artefacten (afgewerkte producten), is de aandacht voor metallurgische resten en andere overblijfselen van deze industriële activiteit eerder beperkt.

De waarde van deze materie, die verband houdt met industrie en productie, in de studie van oude samenlevingen wordt ten zeerste onderschat. De productie van metalen is een complex proces dat meerdere stappen inhoudt die steeds een zeer specifieke kennis en vakmanschap vereisen. Deze kennis is bepaald door het tijdskader en de socioculturele context. Een vergelijkende technologische studie van metallurgisch afval, met als doel het reconstrueren van de chaîne opératoire, kan bijdragen tot een beter begrip van de onderzochte samenlevingen uit het verleden. Net zoals andere materialen is het dus van belang om industriële assemblages zoals metaalslakken te onderwerpen aan een comparatief onderzoek.

Het voorgestelde syntheseonderzoek ijvert voor een (her)evaluatie van en een onderzoek naar de ijzerproductie in Vlaanderen via een studie over de Antwerpse Kempen vanaf de metaaltijden tot en met de vroege middeleeuwen. Dit met het doel om de waarde van productieafval en metallurgische resten in de studie van de (pre-)historische samenlevingen in onze gebieden aan te tonen, en vervolgens een leidraad aan te bieden voor een primaire determinatie van metaalslakken en andere metallurgische resten.

 

Universiteit Luik: Van micro naar macro: de aanwezigheid van Mesolithische jagers-verzamelaarsgroepen in de regio van de Beneden-Schelde begrijpen door middel van techno-functioneel onderzoek.

Plantbewerking is een sterk onderschatte en weinig begrepen activiteit binnen het leven van Mesolithische jagers-verzamelaars. Dit is grotendeels een gevolg van het feit dat deze resten moeilijk bewaren en dat het tot op heden moeilijk was om via gespecialiseerde onderzoeksmethodes tot vernieuwende inzichten te komen. Voorgaand syntheseonderzoek toonde aan dat Vlaamse sites een enorm potentieel te bieden hebben om hierin vooruitgang te boeken. Er kon namelijk aangetoond worden dat verweringssporen én residu’s van plantbewerking op de stenen werktuigen bewaard bleven wat ons de uitzonderlijke mogelijkheid geeft om plantbewerking via deze werktuigen nader te onderzoeken en rechtstreeks bij te dragen tot inzichten over de levenswijze en nederzettingsorganisatie van Mesolithische jagers-verzamelaars.

Het doel van het project is dan ook om via een uitgebreid techno-functioneel onderzoek een beter inzicht te krijgen in de techno-functionele variabiliteit doorheen het Mesolithicum en in de sitefuncties, in het bijzonder het bestaan van artisanale activiteiten gelinkt aan de specifieke landschappelijke context. De site van Beveren LPWW neemt een centrale positie in door het eerder aangetoonde zeer hoge potentieel en de interessante locatie in de Scheldepolders. Maar ook de kleinere sites Moerbeke-Terwest en Heindonk-Tien Vierendelen, die net buiten de Scheldepolders zijn gelegen, worden ter vergelijking in het onderzoek opgenomen.

 

Stichting RAAP (Regionaal Archeologisch Archiverings Project): Met lijntracés dwars door archeologisch Vlaanderen. Een evaluatie van de onderzoeksstrategieën en een synthese van archeologisch onderzoek op lijntracés in landelijk Vlaanderen.

25 jaar geleden werd voor het eerst in Vlaanderen de aanleg van een gasleiding systematisch archeologisch opgevolgd. De opgravingsresultaten en de inzichten waren indrukwekkend. Sinds dit onderzoek en met de ratificering van het verdrag van Malta, zijn er verspreid over Vlaanderen bijna jaarlijks nieuwe gelijkaardige infrastructuurwerken archeologisch opgevolgd. Aangezien deze in opdracht van diverse bouwheren en door verschillende instanties werden uitgevoerd, zijn de resultaten van deze onderzoeken verspreid over diverse opgravingsverslagen.

Waarom kiezen we voor lijntracés? Typerend voor lijntracés, zoals pijpleidingen of treinverbindingen is de aanleg van een sleuf dwars door diverse landschappen, regio’s en doorheen bodemkundige entiteiten. De locatie van de sleuf wordt bepaald door de bouwheer waardoor de archeologen geconfronteerd worden met een willekeurige landschapsdoorsnede. De archeologische gegevens krijgen hierdoor een ‘objectief’ karakter ten opzichte van het regulier archeologische onderzoek waar er steeds een selectieproces aan vooraf gaat.

Algemeen kan ook gesteld worden dat archeologisch onderzoek in het Malta-tijdperk traditioneel sterk gericht is op het opsporen en onderzoeken van nederzettingen en begravingen, met een nadruk op erven met huisplattegronden en grafstructuren met bijhorende vondsten. De invloed van menselijke activiteiten beperkt zich echter niet tot deze nederzettingsterreinen en grafvelden maar hebben invloed op het gehele landschap. Daarin ligt de meerwaarde van lijntracés: aangezien zij zich niet beperken tot deze contexten, omvatten ze een ruimer geheel van de menselijke activiteiten in het landschap.

Dit syntheseproject wil de opgravingsresultaten van lijntracés in diverse regio’s bundelen. Op basis van de verzamelde gegevens wil men evalueren in welke mate deze lijntracés (aanvullende) informatie bieden over de landschappelijke situering van archeologische sites. Daarnaast wordt er ook geëvalueerd hoe de sporen uit diverse archeologische perioden zich kunnen manifesteren.