Regelgeving in opmaak

Het beleidsveld onroerend erfgoed zit niet stil. Op deze pagina vind je de ontwerpteksten van de regelgeving in voorbereiding.

Wijzigingen aan de regelgeving naar aanleiding van de Visienota Lokaal Onroerenderfgoedbeleid

Sommige principes uit de visienota lokaal onroerenderfgoedbeleid vereisen verankering in regelgeving. Zaken als erkenningsvoorwaarden, formele bevoegdheden en procedures moeten immers een rechtsgrond hebben. Dat proces is volop in uitvoering.

Zoals bij alle regelgeving, begint alles met het wijzigen van het Onroerenderfgoeddecreet en -besluit. Nu dat rond is, volgen nog enkele ministeriële besluiten die procedurele details regelen. De inwerkingtreding van dit alles is voorzien voor 1 januari 2023, al zijn er enkele aspecten die pas later starten of een overgangsmaatregel kregen.

Op deze pagina lichten we de belangrijkste elementen uit de regelgeving toe. We gaan in op de erkenning, de subsidiëring, het vaststellen van inventarissen en de bijhorende toelatingsplichten, en handhaving. Dat doen we afzonderlijk voor intergemeentelijke onroerenderfgoeddiensten (IOED) en onroerenderfgoedgemeenten (OEG). Daarnaast zijn er nog taken en mogelijkheden uit de visienota die geen verankering in regelgeving vragen, zoals beleidsvoorbereiding, beleidsmonitoring, wetenschappelijk inventariseren of inhoudelijk bijdragen aan beschermingen. Meer informatie daarover vind je op de pagina over het uittekenen van de dagelijkse praktijk. Ook de ondersteuning van lokale besturen bij hun nieuwe taken en mogelijkheden en de nieuwe manier van samenwerken lichten we daar toe.

Intergemeentelijke onroerenderfgoeddiensten (IOED)

Erkenning

  • Om erkend te worden als IOED moet een intergemeentelijk samenwerkingsverband voldoen aan enkele voorwaarden:
    • Opgericht zijn conform het decreet over het lokaal bestuur;
    • Voldoen aan de regelgeving en afbakeningen van de referentieregio’s;
    • Minstens 100.000 inwoners tellen en een werkingsgebied van minstens 250 km² omvatten. Als de referentieregio kleiner is dan 500 km² volstaat het om minstens 50% van het oppervlak van die regio te omvatten;
    • Beschikken over een gezamenlijke omgevingsanalyse;
    • Beschikken over een gezamenlijke beleidsvisie die complementair is aan het Vlaamse onroerenderfgoedbeleid, die het behoud, het gebruik en de herbestemming van het onroerend erfgoed binnen de aangesloten gemeenten beoogt, die integraal en geïntegreerd is en die rekening houdt met de noden van de gemeenschap;
    • Draagvlak creëren voor de gezamenlijke beleidsvisie;
    • Over de nodige expertise beschikken en een consultatienetwerk uitbouwen met relevante diensten en organisaties.
  • De erkenning kan aangevraagd worden, ongeacht het jaar van de beleidscyclus, door voor 15 januari het aanvraagformulier en de nodige documenten in te dienen bij het agentschap Onroerend Erfgoed. Het agentschap brengt een advies uit aan de minister, desgewenst mits een voorafgaand advies van de Vlaamse Commissie voor Onroerend Erfgoed. De minister beslist uiterlijk op 30 april over de erkenningsaanvraag.
  • De IOED rapporteert in het tweede en vijfde jaar van de lokale beleidscyclus over de uitvoering van zijn onroerenderfgoedbeleidsplan, ten laatste op 30 april, tenzij hij een samenwerkingsovereenkomst heeft afgesloten in het kader van subsidiëring. In dat geval gebeurt de rapportering op de momenten die bepaald zijn in die overeenkomst. Als de IOED niet meer voldoet aan de erkenningsvoorwaarden, de rapportering onduidelijk is of onvoldoende aantoont dat de dienst de doelstellingen heeft nagestreefd, kan de minister bijkomende toelichting vragen of een evaluatie opstarten, die in het uiterste geval kan leiden tot een intrekking van de erkenning.
  • Als een IOED door en wijziging van de samenstelling niet meer voldoet aan de vereisten over inwonersaantal of oppervlakte, blijft de erkenning voorlopig gelden gedurende twee jaar, als de IOED nog aan alle andere voorwaarden voldoet en aantoont dat hij binnen die twee jaar opnieuw kan voldoen aan de vereisten over inwoners en oppervlak.

Subsidiëring

  • Een IOED kan subsidie ontvangen in het kader van een samenwerkingsovereenkomst. Die bedraagt 120.000 euro en is bestemd als bijdrage voor eigen personeel. De subsidie wordt jaarlijks geïndexeerd.
  • Om in aanmerking te komen voor een subsidie, moet de IOED erkend zijn en moeten de aangesloten gemeenten jaarlijks minstens eenzelfde bedrag als de Vlaamse subsidie bijdragen aan de werking.
  • De IOED dient de subsidieaanvraag in bij het agentschap Onroerend Erfgoed ten laatste op 15 januari van het eerste of vierde jaar van de lokale beleidscyclus. In het eerste geval heeft de overeenkomst een looptijd van zes jaar, in het tweede geval van drie jaar. De overeenkomst en subsidie starten op 1 januari van het jaar na de ondertekening. De subsidieaanvraag bevat het geactualiseerde onroerenderfgoedbeleidsplan met omgevingsanalyse, een meerjarenbegroting met alle kosten en opbrengsten, een duiding van de expertise die aanwezig is binnen de IOED, de initiatieven voor draagvlakverbreding en de wijze waarop de IOED eventuele OEG binnen zijn werkingsgebied ondersteunt. Uiterlijk op 30 april beslist de minister, op advies van het agentschap, over de subsidie. Uiterlijk op 1 november wordt ook de samenwerkingsovereenkomst ondertekend.
  • Elk jaar wordt ten laatste op 1 april een voorschot van 80% uitbetaald. Het resterende saldo volgt na uitvoering van het jaarlijkse toezicht in het kader van de rapportering.
  • Elk jaar dient de IOED een financiële rapportering in, uiterlijk op 30 april. Daarnaast is er een driejaarlijkse inhoudelijke evaluatie van de uitvoering van de samenwerkingsovereenkomst, in de vorm van een tussentijdse evaluatie en een eindevaluatie. De IOED dient daarvoor een rapport in, waarvoor de modaliteiten opgenomen zijn in de samenwerkingsovereenkomst.

Overgangsmaatregelen

Voor IOEDs die al een erkenning kregen voor 1 januari 2026 of die een samenwerkingsovereenkomst hebben gesloten voor die datum, gaan de nieuwe bepalingen over erkenning en subsidiëring pas in op 1 januari 2027. Tot dan werken zij volgens de regels die golden op het moment van hun erkenning en sluiten van de samenwerkingsovereenkomst.

Erkende onroerenderfgoedgemeenten (OEG)

Erkenning

  • Om erkend te worden als OEG moet een gemeente voldoen aan enkele voorwaarden.
    • Ze moet beschikken over een onderbouwde beleidsvisie die complementair is aan het Vlaamse onroerenderfgoedbeleid. Die moet het behoud, gebruik en de herbestemming van onroerend erfgoed binnen het grondgebied beogen, integraal en geïntegreerd zijn en rekening houden met de noden van de gemeenschap;
    • De gemeente moet lokaal draagvlak creëren voor haar beleidsvisie en een voorbeeldfunctie opnemen in de zorg voor het onroerend erfgoed waar ze eigenaar of beheerder van is;
    • Ze moet beschikken over de nodige expertise en een adviesraad uit het lokale erfgoedveld betrekken bij haar beleidsvisie;
    • De gemeente moet haar beslissingen over toelatingen en (archeologie)nota’s invoeren in gecentraliseerde databanken of registers van de Vlaamse overheid. De vaststellingen van inventarissen en eventuele toelatingsplichten stelt ze ook ter beschikking van de Vlaamse overheid;
    • Ze inventariseert het onroerend erfgoed op haar grondgebied en zet instrumenten in om het duurzaam behoud en beheer ervan te stimuleren;
    • De gemeente heeft een gemeentelijk verbalisant met het oog op handhaving.
  • Een gemeente kan de erkenning aanvragen in het eerste of vierde jaar van de lokale beleidscyclus door het bezorgen van de relevante delen van haar meerjarenplanning, ten laatste op 15 januari. Het agentschap brengt een  advies uit aan de minister, desgewenst mits een voorafgaand advies van de Vlaamse Commissie voor Onroerend Erfgoed. De minister beslist uiterlijk op 30 april over de aanvraag en de erkenning gaat in vanaf 1 juli van hetzelfde jaar.
  • Elk jaar rapporteert de OEG over de uitvoering van haar engagementen. Daartoe bezorgt ze uiterlijk op 30 april de relevante onderdelen van haar goedgekeurde jaarrekening, al kan ze daar uit eigen beweging extra documenten aan toevoegen. Als de OEG niet meer voldoet aan de erkenningsvoorwaarden, de rapportering onduidelijk is of onvoldoende aantoont dat de gemeente de doelstellingen heeft nagestreefd, kan de minister bijkomende toelichting vragen of een evaluatie opstarten. Die kan in het uiterste geval leiden tot een intrekking van de erkenning.
  • Als een OEG fuseert met een of meerdere andere gemeenten, wordt de bestaande erkenning automatisch overgedragen naar de nieuw gevormde gemeente. Die kan een intrekking van de erkenning aanvragen, of in haar nieuwe meerjarenplanning opnemen hoe ze zal voldoen aan de erkenningsvoorwaarden en dus erkende OEG blijven.

Subsidiëring

  • Een OEG kan subsidie ontvangen in het kader van een samenwerkingsovereenkomst. De subsidie is bestemd als bijdrage voor eigen personeel en varieert naargelang de gemeente. De steden Antwerpen, Brugge, Gent, Leuven en Mechelen kunnen 90.000 euro ontvangen. Centrumsteden en gemeenten waar minstens twee werelderfgoederen gelegen zijn, kunnen rekenen op 50.000 euro. Alle andere gemeenten kunnen aanspraak maken op 10.000 euro. De subsidie wordt jaarlijks geïndexeerd.
  • De OEG dient de subsidieaanvraag in bij het agentschap Onroerend Erfgoed ten laatste op 15 januari van het eerste of vierde jaar va de lokale beleidscyclus. In het eerste geval heeft de overeenkomst een looptijd van zes jaar, in het tweede geval van drie jaar. De overeenkomst en subsidie starten op 1 januari van het jaar na de ondertekening. De subsidieaanvraag bevat het actuele onroerenderfgoedbeleidsplan van de gemeente. Uiterlijk op 30 april beslist de minister, op advies van het agentschap, over de subsidie. Ten laatste op 1 november wordt ook de samenwerkingsovereenkomst ondertekend.
  • Elk jaar wordt een voorschot van 80% uitbetaald, uiterlijk op 1 april. Het resterende saldo volgt na uitvoering van het jaarlijkse toezicht op de aanwending van de subsidie.
  • Elk jaar dient de OEG een financiële rapportering in, ten laatste op 30 april. Daarnaast is er een jaarlijkse inhoudelijke evaluatie van de uitvoering van de samenwerkingsovereenkomst. De OEG dient daarvoor een rapport in, waarvoor de modaliteiten opgenomen zijn in de samenwerkingsovereenkomst.

Vaststellen van inventarissen en rechtsgevolgen

  • Er zullen vier deelinventarissen zijn: de landschapsatlas, de inventaris van archeologische zones, de inventaris van bouwkundig erfgoed en de inventaris van landschappelijk erfgoed. De eerste twee bevatten grotere gehelen en de vaststelling ervan blijft de bevoegdheid van de Vlaamse overheid. De laatste twee omvatten erfgoedelementen en de vaststelling wordt de bevoegdheid van OEGs, voor wat betreft hun grondgebied. De inventaris van houtige beplantingen en de inventaris van tuinen en parken worden dus geïntegreerd in één inventaris, samen met landschapselementen uit de landschapsatlas.
  • Aan de vaststelling gaat een openbaar onderzoek vooraf waarbij iedereen opmerkingen en bezwaren kan indienen. Vervolgens wint de OEG advies in over de inventaris en de resultaten van het openbaar onderzoek bij de gemeentelijke adviesraad voor onroerend erfgoed. Tot slot beslist de gemeenteraad over de vaststelling. Die wordt centraal ontsloten op het digitale platform van het agentschap Onroerend Erfgoed, in de vorm van het vaststellingsbesluit zelf en een GIS-laag met alle vastgestelde goederen.
  • Een OEG kan ervoor kiezen om aan bepaalde goederen die zij vaststelt ook toelatingsplichten te koppelen. Ze bepaalt voor elk van de vastgestelde goederen of er toelatingsplichten gelden, en welke die dan zijn. In dat geval moet zij voorafgaand aan het openbaar onderzoek de betrokken eigenaars schriftelijk informeren. Ook na de vaststelling moet ze de eigenaars op de hoogte brengen van het uiteindelijke besluit. De mogelijke toelatingsplichten zijn:
    • Werken aan dak en buitenmuren van constructies: aanbrengen, verwijderen, vervangen of wijzigen van dakbedekking, gootconstructies, kleur, textuur of samenstelling van afwerkingslagen, voegen en hervoegen, buitenschrijnwerk, deuren, ramen, luiken, poorten, beglazing, beslag, hang- en sluitwerk, nagelvaste elementen, smeedijzer en beeldhouwwerken;
    • Fundamenteel en structureel wijzigen van de aanleg van tuinen, parken en begraafplaatsen met erfgoedwaarde;
    • Werken aan het interieur: verwijderen, vervangen of wijzigen van plafonds, gewelven,  vloeren, trappen, binnenschrijnwerk en waardevolle interieurdecoratie.
  • Voor de vastgestelde goederen geldt een zorgplicht ten aanzien van administratieve overheden. Die moeten bij hun eigen werken of activiteiten zo veel mogelijk zorg in acht nemen voor de erfgoedkenmerken ervan en maatregelen treffen om de impact te beperken. Bij vergunningen voor kap of sloop moet de vergunningverlenende overheid aangeven hoe ze rekening heeft gehouden met de impact van de aangevraagde handelingen op de erfgoedwaarden en -kenmerken van de vastgestelde goederen.
  • De eigenaar dient de toelatingsaanvraag schriftelijk of via het daartoe bestemde digitale loket in bij de OEG. De samenstelling van het dossier is vergelijkbaar met die voor handelingen aan beschermd erfgoed. Als de aanvraag onvolledig of onduidelijk is, kan de OEG de aanvrager binnen 20 dagen verzoeken om het dossier aan te vullen en daar een termijn voor bepalen. Gebeurt dit niet, is de toelating stilzwijgend geweigerd. Het college van burgemeester en schepenen neemt een beslissing over de toelatingsaanvraag binnen de 30 dagen nadat de volledig aanvraag is ingediend. Blijft een beslissing achterwege, geldt een stilzwijgende toelating. Binnen de tien dagen na de beslissing brengt de OEG de aanvrager op de hoogte, schriftelijk of via het digitale loket, en registreert ze de beslissing in een databank van toelatingen en adviezen.
  • Als voor de toelatingsplichtige handelingen ook een omgevingsvergunning of vergunning conform het Bosdecreet nodig is, dan wint de vergunningverlenende overheid een advies in bij de OEG, tenzij die zelf vergunningverlener is. Als de handelingen ook toelatingsplichtig zijn omwille van een bescherming, primeert de bescherming en vervalt de toelatingsplicht vanuit de vaststelling. En als een handeling vrijgesteld is in het kader van een beheersplan bij een bescherming, is die handeling ook vrijgesteld van toelating in het kader van de vaststelling.

Vrijstelling voor de verplichte opmaak van een archeologienota

  • Een OEG kan via een gemeentelijk reglement vrijstelling voorzien voor de verplichte opmaak van een archeologienota. Dat reglement is vergelijk baar met de Vlaamse ‘GGA-kaart’. De vrijstellingen in het gemeentelijk reglement zijn gebaseerd op onderzoek naar de archeologische situatie in de betrokken gemeente door een erkende archeoloog in dienst van de OEG. Het reglement motiveertop basis van waarnemingen en wetenschappelijke argumenten welke percelen vrijgesteld worden omdat ze met hoge waarschijnlijkheid geen archeologische waarde hebben of op basis van waarnemingen en wetenschappelijke argumenten onderbouwd kan worden dat verder onderzoek van de aanwezige archeologische site en artefacten geen relevante kenniswinst oplevert. De OEG bezorgt het reglement en de GIS-laag met vrijgestelde percelen aan het agentschap Onroerend Erfgoed om ze centraal en digitaal te ontsluiten.

Handhaving

  • Erkende onroerenderfgoedgemeenten moeten een gemeentelijk verbalisant aanstellen. Dat kan een personeelslid van de gemeente zijn, maar evengoed een personeelslid van de IOED waar de OEG bij aangesloten is. Een gemeentelijk verbalisant heeft de bevoegdheid om inbreuken en misdrijven tegen de onroerenderfgoedregelgeving op te sporen en vast te stellen door middel van een proces-verbaal of verslag van vaststelling. Het college van burgemeester en schepenen duidt deze personen aan. Die moeten eerst een opleiding volgen en een bekwaamheidsbewijs kunnen voorleggen.