Vragen bij de herbestemming van kerken

Vragen die aan bod kunnen komen bij de herbestemming van parochiekerken:

1. Het bestaande ten opzichte van vernieuwing

De grote vraag bij elk herbestemmingsproject is hoe het bestaande gebouw zich verhoudt tot het vernieuwde. Het gebouw is beschermd omwille van bepaalde materiële kenmerken. Blijven die bewaard bij de vernieuwing en welke rol spelen ze nog in het herbestemde gebouw?

Bij kerken in het bijzonder is de ruimtebeleving zeer kenmerkend. Ook reversibiliteit is een vaak voorkomend begrip. Welke rol speelt de kwaliteit van de nieuwe ingreep? Ondersteunt de ingreep het bestaande of maakt het deze beter?

2. De immateriële waarde van de kerk

In het bijzonder aan de orde bij kerken is de sociaal-culturele betekenis van het gebouw. Die maakt vaak deel uit van het initiatief tot bescherming. Wordt in de vernieuwing rekening gehouden met deze immateriële waarde, vertaald in de materiële eigenschappen?

3. De duurzaamheid van de nieuwe functie en van de ingrepen

Gebouwen die verschillende keren van functie veranderd zijn, zijn vaak sterk verbouwd. Bieden de nieuwe ingrepen het beschermd gebouw een toekomst op lange termijn? Verschillende dergelijke campagnes doen de bescherming immers mogelijk uiteindelijk teniet. De duurzaamheid van de nieuwe functie speelt dus een belangrijke rol.

4. De aanwezigheid van cultuurgoederen en een orgel

Vele oudere kerken beschikken over een rijk interieur. Bij moderne kerken is het meubilair vaak mee ontworpen door de architect waardoor gebouw en meubilair samen één onlosmakelijk geheel vormen. Dit vormt een bijkomende moeilijkheid bij een herbestemming. Dergelijke gebouwen als casco beschouwen is niet wenselijk.

Een bijzondere kwestie zijn orgels. Deze vragen een bepaald klimaat (temperatuur en vochtigheidsgraad) en moeten regelmatig bespeeld worden. Is de herbestemming combineerbaar met de eisen voor behoud van het orgel?

5. De technische haalbaarheid: comfortniveau, akoestisch en thermisch isoleren

Kerken zijn vaak moeilijk te verwarmen gebouwen. Het comfortniveau is niet voorzien op een lang verblijf. Nochtans gaan herbestemmingen vaak net wel over verblijfsfuncties, zoals bibliotheek, cultuurcentrum, restaurant. Zijn deze technische ingrepen te verzoenen met de waardevolle elementen van het gebouw: voorzetramen, isolatie,…?

6. De financiële haalbaarheid

Aanpassingen met respect voor de erfgoedwaarden betekenen vaak een meerkost ten opzichte van aanpassingen die hier geen rekening moeten mee houden. Deze bijkomende eisen kunnen wegen op de financiële haalbaarheid van een herbestemming. Welke financiële consequenties hebben de randvoorwaarden?

7. Draagvlak voor de nieuwe functie in de buurt

Hoe wordt het project ontvangen in de omgeving? Is het een project waarop de buurt zit te wachten of net niet?

8. De ruimtelijke context: stedelijk ten opzichte van landelijk

Een kerk in stedelijke context en een kerk in een landelijke context spelen elk een heel andere rol in de omgeving, zowel ruimtelijk als sociaal-cultureel. Welke rol speelt dit bij een herbestemming en betekent dit dat bepaalde afwegingen anders moeten gebeuren?

9. Andere toepasselijke wetgeving

De nieuwe functie moet mogelijk voldoen aan sectorale regelgeving, aan eisen wat betreft mobiliteit, veiligheid, toegankelijkheid. Op welke manier is het mogelijk aan deze normen en eisen tegemoet te komen in een kerkgebouw?